Paul van Gerven vp

Paul van Gerven is redacteur van Bits&Chips.

14 February 2019

In de jaren tachtig trok Japan op spectaculaire wijze de halfgeleiderindustrie naar zich toe. Aan het begin van het decennium kwamen de drie grootste halfgeleiderbedrijven ter wereld uit de Verenigde Staten (Motorola en Texas Instruments) en uit Nederland (Philips). Een paar jaar later waren de volledige top drie en zes van de top tien Japans. Intel betrad het decennium vrijwel als monopolist in de geheugenbusiness, om er in 1985 met de staart tussen de benen uit te vertrekken.

Hofleverancier van de nieuwe chipgiganten was Nikon, waarmee het een al even dominante positie in de toolmarkt wist te verwerven als zijn klanten. Volgens The Information Network leverde het bedrijf in die tijd vijftig tot zestig procent van de tools.

Amerikaanse, Koreaanse en Taiwanese bedrijven begonnen begin jaren negentig de Japanners partij te bieden. De nieuwkomers shopten graag bij het in 1984 opgerichte ASML, dat toen eerst een betekenisvol marktaandeel verwierf en vanaf halverwege jaren negentig een serieuze bedreiging werd voor de hegemonie van Nikon.

de wet

In 2002 verkocht het bedrijf uit Veldhoven voor het eerst meer machines dan zijn Japanse tegenstrever. Vlak daarvoor, eind 2001, diende Nikon voor de eerste keer een aanklacht in tegen ASML wegens patentinbreuk. Toeval? Vast niet. Al katalyseerde de dotcomcrisis misschien een en ander. Als de markt niet was ingestort en ASML, Canon en Nikon onderling een grotere taart hadden kunnen verdelen, hadden de Japanners zich wellicht (nog even) gedeisd gehouden.

BCe24 save the date

Het dispuut werd in 2004 geschikt. ASML betaalde een relatief bescheiden bedrag voor een kruislicentiedeal, al was die voor een deel van het portfolio de facto slechts tien jaar geldig. Zo kon het gebeuren dat het intussen gedecimeerde Nikon in 2017 opnieuw de wapens oppakte. Een wanhoopsoffensief, zonder twijfel.

Toch schikte ASML opnieuw, zelfs al won het de eerste vier van de elf zaken die Nikon in Nederland aanspande. Om van het gedoe af te zijn, zei ceo Peter Wennink niet met zoveel woorden tijdens een persconferentie ter gelegenheid van de presentatie van de jaarcijfers.

Daar valt natuurlijk veel voor te zeggen. Er gaan bakken geld en veel kostbare tijd zitten in dat soort zaken en het maakt klanten nerveus. Ook al denk je sterk te staan, je kunt een keer verliezen. Dat heeft zulke desastreuze gevolgen dat een bedrijf het risico het liefst zo snel mogelijk elimineert, hoe klein de kans ook is. Zeker omdat de tegenstander steeds weer nieuwe zaken kan aanspannen.

Toch zou ik er niet mijn hand voor in het vuur durven steken dat ASML zijn oude rivaal met boter en suiker zou hebben ingemaakt. ASML’s oorspronkelijke ip-zwakte heeft haar wortels in Philips, dat altijd voorrang gaf aan de cd en niet aan de stepper als het om het vastleggen van patenten ging. Het wekt geen sterke indruk dat ASML de tegenaanval inzette met aangekochte patenten, nota bene afkomstig uit het portfolio van Intellectual Ventures – volgens velen ’s werelds grootste patenttrol.

Maar vooral de hoge prijs die ASML bereid is te betalen voor rust en vrede doet een mens zich achter de oren krabben: een eenmalige betaling van 150 miljoen euro plus 0,8 procent van de immersieomzet. Die bedroeg in 2018 4,8 miljard euro, waarmee de omvang van de royaltybetaling uitkomt op 38 miljoen euro per jaar. Over een looptijd van tien jaar moet ASML dus ruim een half miljard euro dokken (de immersieomzet zal voorlopig eerder stijgen dan dalen). Andersom moet Nikon ook 0,8 procent betalen over zijn immersie-inkomsten, maar gezien zijn bescheiden marktaandeel is dat bedrag slechts een fractie van wat de Veldhovenaren moeten overmaken.

Aan de andere kant: waar zeuren we over? ASML levert over de komende tien jaar minder dan twee procent van zijn winst in. Blijft er nog 25 tot 30 miljard over, plus wat leveranciers aan ASML verdienen. Niemand die het verschil ziet.