Nieke Roos
30 June 2015

De koppeling tussen hoger onderwijs en onderzoek is aan vernieuwing toe. Dat schrijft de Adviesraad voor Wetenschap, Technologie en Innovatie (AWTI) in een advies dat het onlangs heeft gestuurd aan ministers Bussemaker van OCW en Kamp van EZ. Volgens de AWTI zijn de instellingen aan zet om de relatie productiever te maken. De raad spoort de rijksoverheid aan om universiteiten en hogescholen te vragen per opleiding te specificeren wat onderzoek bijdraagt aan onderwijs. Ook de aparte trajecten voor visitatie en accreditatie kunnen beter op elkaar aansluiten.

Onderzoek en onderwijs zijn uit balans geraakt, schrijft de AWTI. Oorzaken zijn de hoge werkdruk op universiteiten en hogescholen, de financiële noodzaak om studenten snel door hun studie te leiden en het feit dat een academische carrière vooral afhangt van wetenschappelijke prestaties. Universiteiten belonen onderwijs primair naar kwantiteit en onderzoek naar kwaliteit, aldus de raad. Dit maakt dat wetenschappers zich concentreren op hun research en hun lesgevende taken vaak delegeren, wat de kruisbestuiving niet ten goede komt.

De AWTI vindt dat universiteiten meer moeten sturen op onderwijskwaliteit en hun wetenschappelijke medewerkers meer moeten belonen voor goed onderwijs. Dat kan met inzet van middelen die vrijvallen bij de invoering van het studievoorschot. Ook zouden ze moeten differentiëren in de manier waarop onderzoek aan bod komt en dit moeten laten afhangen van het type opleiding, want elke student heeft onderzoeksvaardigheden nodig maar lang niet elke student wordt onderzoeker, stelt de raad.

Op hogescholen staat het onderzoek nog in de kinderschoenen, signaleert de AWTI. Om het onderwijs substantieel van onderzoek te laten profiteren, is een stevige impuls nodig. De raad is van mening dat hogescholen hun docenten meer tijd en gelegenheid moeten bieden voor betrokkenheid bij onderzoek en bijscholing in onderzoeksvaardigheden. Daarnaast is het advies om het aantal lectoraten uit te breiden.