Marcel_Pelgrom_09

Marcel Pelgrom schrijft deze column op persoonlijke titel.

8 September 2006

Als Nederland tijdens de spits filevrij is en de kranten vol staan met sensatieverhalen, dan is de jaarlijkse komkommertijd aangebroken. De laatste jaren siert een nieuw stukje folklore de komkommertijd: bèta-bashing. Het Centraal Planbureau vertelt ons in de NRC van 12 juli weer eens dat het tekort aan bètapersoneel niet bestaat. De rapporten waarop dit soort beweringen stoelt, bestaan uit bij elkaar geraapte stukken onderzoek en datareeksen uit allerlei bronnen. Zoals de jaarlijkse Enquête beroepsbevolking, de CBS-statline, de WO-monitor en een aantal internationale onderzoeken.

Toch leidt deze overdaad aan informatie niet altijd tot zuivere conclusies. Volgens de CPB-economen leveren bètaopleidingen rond de 4500 afgestudeerden per jaar af, waarvan 60 procent ingenieur is. De grootste bijdrage komt van de richting Architectuur!? Het aantal biologen is even groot als het aantal afgestudeerde informatica- en elektrotechniekingenieurs samen. Andere relevante bètaopleidingen zijn: industrieel ontwerpen, milieutechniek, farmacie, landbouwkunde enzovoorts. Gebaseerd op dit gemêleerde gezelschap mogen we volgend jaar wel de titel ’Bètaoverschot‘ verwachten.

Er is meer reden tot verwarring: de hoogte van de startsalarissen is blijkbaar een maatstaf voor schaarste in ons polderlandje. De CPB-economen bekijken de stijging van aanvangssalaris van fiscaal-economen en constateren dat die stijging over de internetbubbelperiode van 1998 tot 2003 hoger was dan van elektrotechniek- of informatica-ingenieurs. Wat een vergelijk en wat een statistische significantie! Waar blijven nu de biologen en architecten? Kijk eens naar Elseviers ranglijst van netto maandsalarissen van starters over honderd WO en hbo-opleidingen uit 2005. Medici voeren deze lijst aan met vijf ingenieuropleidingen bij de eerste vijftien. Ingenieurs opereren op de internationale markt, terwijl juristen, medici, psychologen en economen veel meer specifiek Nederlands opgeleid zijn. Deze beroepsgroepen hebben zich uitstekend georganiseerd en weten hun salaris geborgd via de overheid en de politiek. Terwijl sommige huisartsen en rechters nauwelijks het niveau van een if-then-else-commando halen.

De bètaschaarste en aanvangssalaris moeten in een ruimer verband vergeleken worden dan het benauwde Nederlandse economenperspectief. Zowel de Duitse, Franse als Engelse aanvangssalarissen voor ingenieurs liggen 50 tot 100 procent hoger. Daar betalen ze goede startsalarissen om de auto-, vliegtuig-, elektronica- of andere kennisindustrieën te behouden. Een gepromoveerde micro-elektronica-ingenieur begint in Silicon Valley op tenminste 100 duizend dollar. Hebben onze jonge Nederlandse ingenieurs dat begrepen? En of! Kijk maar eens naar de ontwikkelafdelingen van TI of Broadcom waar massa‘s Nederlandse ingenieurs voor Nederlandse VP‘s werken.

Wat is het recept van het CPB voor het opvullen van de Nederlandse bètavacatures? Importeer buitenlandse kenniswerkers. Zo simpel is dat: die hooggekwalificeerde buitenlanders hebben geen idee wat er in de wereld te koop is en komen hun hele leven graag in dit klimaat werken. De praktijk wijst anders uit. De echte toppers stappen hooguit over op Schiphol. De overblijvers zijn van sterk wisselende kwaliteit, voor wie Nederland vaak ook maar een opstapje is.

Dat het CPB aan haar eigen observaties twijfelt, blijkt wel in het hoofdstuk ’The science and engineering puzzle‘, waarin ze zich afvragen waarom het bedrijfsleven blijft zeuren over bètaschaarste met zo‘n overvloed aan bèta‘s. De CPB-rapporten bevatten geen feitelijke onjuistheden. Echter de discutabele bètadefinities en de (on)handige mix van vergelijkingen verdienen geen academische statuur. Naast een bètatekort hebben we blijkbaar ook een economentekort, niet qua aantal wel qua niveau.