Pieter Edelman
9 March 2009

Bij de eerste call voor Artemis, het Europese R&D-programma voor embedded systemen, bleef de belangstelling van het Nederlandse MKB achter. De grote jongens als Philips en NXP wisten de weg naar het subsidiegeld te vinden, maar voor kleinere bedrijven bleek dit lastig. Van de 10 miljoen euro die de Nederlandse regering beschikbaar had gesteld, werd slechts 5 miljoen opgesoupeerd. Onbekend maakt onbemind, denkt Jan Lohstroh, secretaris-generaal van Artemisia, de vertegenwoordiging van het bedrijfsleven en de onderzoeksinstituten. Of Bits&Chips daarom niet een keertje langs wilde komen?

Artemis is ook een ingewikkeld verhaal, doordrenkt met de dikke stroop van de Brusselse bureaucratie, erkent Lohstroh. ’Zo is het nu eenmaal. Maar eigenlijk hoeven de mensen alleen te weten hoe ze zich kunnen inschrijven en hoe ze partners voor een project kunnen vinden.‘

Jan_Lohstroh
Jan Lohstroh had geen zin om na zijn pensionering bij Philips achter de geraniums te gaan zitten. Hij bestuurt nu de dagelijkse bezigheden van Artemisia, de vertegenwoordiging van het bedrijfsleven en de researchinstituten in het Artemis-programma.

Lohstroh was vóór zijn Artemisia-avontuur 36 jaar lang actief bij Philips. Na een studie natuurkunde in Delft begon hij in het Natlab. Zestien jaar later rolde hij door naar verschillende managementfuncties, onder meer bij R&D-afdelingen van de halfgeleider- en consumentenelektronicatakken. Daar speelde hij een actieve rol in de oprichting van Itea. Zijn laatste functie was senior vicepresident van Philips Intellectual Property & Standards (de patentenafdeling van Philips). Volgens de toenmalige Philips-regeling ging hij met zijn zestigste met pensioen. Maar om achter de geraniums te gaan zitten, daar heeft hij geen zin in. En het is leuk werk, vindt hij, ondanks dat hij zich soms zichtbaar ergert aan de bureaucratische Brusselse gang van zaken.

Embedded systemen is een van de gebieden die de Europese Commissie op een goed moment bestempelde als belangrijk voor Europa, omdat het essentieel is voor veel andere industrieën. Europa is er ook relatief goed in, vindt Brussel. ’In de auto-industrie bijvoorbeeld komt de high-end nog steeds uit Europa en die zit boordevol elektronica. In high-end auto‘s vormen embedded systemen en software 50 procent van de toegevoegde waarde. Dat is meer software op wielen dan een traditionele auto‘, zegt Lohstroh.

 advertorial 

System engineering @ ASML, practices and challenges

During the first online session of the System Architecting Conference, on 25 January, Frank de Lange and Tom Castenmiller (ASML) will address the role of systems engineering and discuss the essences of the roadmapping process, the holistic system design and the product generation process. Register now for free.

Voor deze gebieden wilde de EU samen met alle belanghebbenden een langetermijnstrategie uitstippelen. Daarom werd er een strategische researchagenda opgesteld, een SRA. ’Dit document claimt de richting te bepalen voor alle R&D in Europa, ten minste voor de R&D die wordt gesponsord‘, legt Lohstroh uit.

Traditioneel kende Europa twee internationale subsidieprogramma‘s voor R&D: de Kaderprogramma‘s van de Europese Commissie, die nu midden in hun zevende versie zitten, en Eureka, waar Itea2 deel van is. Daarnaast zijn er nationale programma‘s. ’Maar wat wordt gevraagd in die SRA vereist een inspanning die de combinatie van FP7 en Eureka te boven gaat. Toen is het idee ontstaan om een derde fundingmechanisme op te zetten dat rechtstreeks aan die SRA is gekoppeld.‘ Voor embedded systemen werd dat uiteindelijk Artemis, voor nanotechnologie Eniac met zijn eigen SRA.

De opstartfase heeft naar Lohstrohs smaak veel te lang geduurd. Maar nu het eenmaal op de rails staat, verdient het zich in doorlooptijd dubbel en dwars terug, denkt hij. De Europese Commissie en de deelnemende landen leggen elk jaar geld opzij voor Artemis: Brussel betaalt de helft van wat de lidstaten gemiddeld vrijmaken. Dit publieke geld is goed voor maximaal de helft van een projectfinanciering. Artemisia bepaalt vervolgens waar dat geld aan wordt uitgegeven. Daardoor kan het rap gaan. ’De eerste call is 1 september 2008 gelanceerd, een aantal van die projecten ging in januari 2009 al van start. Bij Eureka wordt er eerst een project ingediend en daarna wordt er bij de lidstaten geld gezocht‘, legt Lohstroh uit. Een nadeel van het Artemis-model is wel dat als het potje in een land op is, een ander voorstel met partners uit hetzelfde land niet door kan gaan.

Artemis heeft de vorm van een joint undertaking, een joint venture zo u wilt, tussen EC, aangesloten lidstaten, bedrijfsleven en onderzoeksinstellingen. De Artemisia-associatie vertegenwoordigt hierin het belang van het bedrijfsleven, onderzoeksinstituten en universiteiten met een stem van 50 procent in de Governing Board van de joint undertaking. Het bestuur is in handen van 25 vertegenwoordigers uit deze organisaties. Lohstroh vormt het dagelijkse aanspreekpunt. Vanwege de kennis die er al aanwezig was, kwartiert het Artemisia-office op de High Tech Campus bij Itea2.

Ook Artemis blijkt helaas niet immuun voor de economisch zware tijden. Van de beoogde 140 tot 150 miljoen euro die nodig is om op koers te blijven, is slechts 104 miljoen vrijgemaakt voor de tweede 2009-call. Nederland heeft zijn bijdrage teruggeschroefd van tien naar vijf miljoen. Dat is wel begrijpelijk, vindt Lohstroh. Duitsland, dat economisch veel groter is, legt slechts zes miljoen euro in.

Toch zet Artemisia alle zeilen bij om de MKB‘ers binnen te halen. ’Er zijn heel veel goede technische firma‘s, maar ze hebben lang niet allemaal geld op de plank om aan innovatie te doen. Dat ligt onder de tien procent van het totaal. Het is de kunst om deze MKB‘ers te vinden. Daarom organiseren we brokerage events. We hebben ook een partnerzoekmachine gelanceerd op onze website en we zien dat daar heftig gebruik van wordt gemaakt. Als er eenmaal een relatie is, zie je dat bedrijven elkaar na afloop van het programma ook opzoeken.‘