Paul van Gerven
5 October 2010

De onderzoekswereld wacht in spanning de komst van een nieuw kabinet af. Worden R&D, onderzoek en innovatie uit de wind gehouden bij de meedogenloze bezuinigingsslag? En maakt het selectieve industriebeleid eindelijk zijn comeback? Een gesprek met STW-directeur, innovatie-expert en wereldverbeteraar Eppo Bruins.

Technologie verzin je niet. Wie wel eens de trein neemt, moet deze kreet bekend voorkomen: hij was dit voorjaar op stations door heel Nederland te lezen. Op de frisse affiches bakenden printplaatsporen de contouren af van een eenvoudig pictogram, dat op zijn beurt symbool stond voor een succesvol Nederlands onderzoeksproject in de technische sfeer. Wie daar het fijne van wilde weten, moest naar de bijbehorende website surfen. Op de poster verder nog de dubbelzinnige ondertitel ’Nederlands technologisch onderzoek verdient geld‘ en,  klein in een hoek, het logo van technologiestichting STW.

Voor een organisatie die intrinsiek weinig te maken heeft met het grote publiek is de ideële reclamecampagne een opmerkelijke stap. Natuurlijk, STW heeft als verdeler van onderzoeksgeld binnen de technische wetenschappen onmiskenbaar belang bij een ambitieus innovatiebeleid, maar er zijn in Nederland grotere en meer invloedrijke technologische spelers te vinden van wie je een dergelijke actie misschien eerder zou verwachten, desnoods in een samenwerkingsverband.

Daar voorzichtig op gewezen, begint de initiatiefnemer te grijnzen. ’Dat is een beetje de persoonlijkheid van de directeur‘, zegt Eppo Bruins, die ruim twee jaar geleden de leiding op zich nam bij de onderzoeksfinancier. Inderdaad is Bruins niet vies van wetenschapscommunicatie. De actieve Twitteraar was onder meer achter de schermen betrokken bij het wetenschappelijke tv-programma Hoe?Zo!, waar zijn voorbeeld Robbert Dijkgraaf zijn mediagenieke kwaliteiten oefende, hij was vaste gast bij diverse radioprogramma‘s en is actief bij een stichting die spannende wetenschappelijke proefjes op scholen doet. Recentelijk waren Bruins en STW betrokken bij publieksvoorlichting over duurzame technologie op het hippe muziekfestival Lowlands.

Er schuilt een zeker risico in zo‘n actie, erkent Bruins. ’Sommige organisaties blazen zichzelf helemaal op. Zo van: kijk ons eens geweldig zijn. Ik vind dat wij het veel genuanceerder hebben gedaan. Het gaat erom het Nederlandse publiek te laten zien wat voor mooie technologie we hebben in Nederland. Dat is toch heel anders dan de glossy folders en schreeuwerij die je soms ziet.‘ Toch was het Bruins ook wel een beetje te doen om zijn eigen organisatie eens in de schijnwerpers te zetten. ’Ik vind dat in de jaren voordat ik hier kwam werken STW iets te stil en bescheiden was. Het is misschien wat on-Nederlands en niet iets wat mensen van STW verwacht hadden, maar ik ben trots op STW en wil dat ook uitstralen.‘

Normaal gesproken zou STW niet zo snel op eigen houtje opereren, haast Bruins zich toe te voegen. ’Als relatief kleine speler is het vooral belangrijk om bij de juiste coalities aan te sluiten.‘ De actualiteit dwong hem echter van deze lijn af te wijken toen dit voorjaar de ambtelijke werkgroepen op de proppen kwamen met hun bezuinigingsvoorstellen. ’Tot verbazing van velen in de technologiewereld zat daar een post innovatie en toegepast onderzoek in, terwijl Kamerbreed was afgesproken dat onderwijs en wetenschap niet mogen lijden onder de bezuinigingen. We dachten dat de kenniseconomie veilig zou zijn, maar blijkbaar werd innovatie niet onder onderwijs en wetenschap geschaard.‘

Alleen al de gedachte dat bezuinigen op innovatie geld zou opleveren, trof STW – dat het in de praktijk brengen van onderzoeksresultaten als bestaansreden heeft – in het hart. En dus nam de stichting eens het voortouw en trad zij in de openbaarheid met een reclamecampagne die behalve op stations alleen in Den Haag uitgebreider werd aangepakt. Dat was heus niet alleen om het voortbestaan van zijn organisatie zeker te stellen, verzekert Bruins. ’Het ambtelijke voorstel is heel vreemd, want innovatie is het punt waarop onderwijs en wetenschap gaan renderen voor de maatschappij. De politiek moet de héle kennisketen koesteren, dat was onze boodschap dit voorjaar.‘

Eppo Bruins DSC_4555 400px

Neutrale expert

Op het moment dat Bits&Chips bij Bruins aanschuift voor een gesprek, zit er nog geen nieuw kabinet en heeft hij dus ook geen idee of zijn boodschap effect heeft gesorteerd. Pessimistisch is hij niet, maar in de manier waarop onderzoeks- en innovatiebeleid tot stand komt, is er nog een wereld te winnen. ’Politici en beleidsmakers weten heus wel dat onderwijs, kennis en technologie bijdragen aan welvaart. Tegelijk is Den Haag heel slecht in keuzes maken, terwijl dat volgens mij heel hard nodig is.‘

De STW-directeur blijkt een uitgesproken voorstander van herinvoering van een selectief industriebeleid. Drie weken na het interview zou hij daar samen met enkele andere innovatie-experts bij een Kamercommissie voor pleiten. Sinds begin jaren tachtig rust op selectief industriebeleid een moratorium, nadat scheepswerf RVS ondanks miljarden aan staatssteun kopje onder was gegaan. De overheid wilde aan zoiets geen tweede keer haar vingers branden en stelt zich sindsdien inhoudelijk agnostisch op. Bedrijven kunnen meedingen naar subsidies, niet omdat de overheid bepaalde sectoren wil stimuleren – dat zou immers impliceren dat zij het beter denkt te weten dan de markt – maar omdat ze generiek onderzoek doen dat toevallig niet door (maar meestal wel in samenwerking met) universiteiten wordt gedaan. In welke sector deze bedrijven opereren, is bij de toekenning van subsidie niet van belang.

Diametraal daartegenover staat de tegenwoordig zeer populaire notie dat de overheid een beperkt aantal gebieden uitkiest en financieel ondersteunt. Backing the winners heet dat in de wandelgangen, maar eigenlijk gaat het vooral om het lef bepaalde gebieden niet te kiezen. Die moeten zichzelf maar zien te redden, hoewel generieke regelingen als de WBSO zouden kunnen blijven bestaan. Voor de een is deze aanpak de meest rendabele besteding van belastinggeld, voor de ander het toppunt van arrogantie. Waar moet de overheid immers de wijsheid vandaan halen? Over welke informatie beschikken ambtenaren en politici wel en de markt niet? Waarom zou concurrentie op kwaliteit niet de optimale verdeling van middelen opleveren?

Bruins behoort duidelijk tot de stroming die een zelfverzekerde overheid voorstaat. ’Het is niet meer dan logisch dat je als land achter de sectoren gaat staan die potentie hebben tot de wereldtop te behoren. Neem de recente rel rondom MSD in Oss. Mijns inziens zou je je moeten afvragen of Nederland in de farmacie tot de top drie van de wereld kan behoren, wetenschappelijk en industrieel. Ik denk het niet en dus zou ik er geen extra belastinggeld in stoppen.‘

Niet voor niets behoort farmacie niet tot de vijf sleutelgebieden die het inmiddels ter ziele gegane Innovatieplatform heeft aangewezen, vindt Bruins. Hij beschouwt het aanmerken van nationale kerncompetenties de belangrijkste erfenis van het veel bekritiseerde overlegorgaan, al vindt hij het jammer dat er in de loop der tijd meer gebieden bij zijn gekomen. ’Nu vallen zo ongeveer alle Nederlandse R&D-activiteiten onder een sleutelgebied of een innovatieagenda. De keuzes mogen veel harder.‘

Voor Bruins is focus op kanshebbers een principekwestie, filosofisch de juiste, blijkt uit de manier waarop hij erover praat: zelfverzekerd en met passie. Toch valt hij even stil als hem gevraagd wordt waarom hij niet gewoon om meer geld vraagt, zodat hard kiezen helemaal niet nodig is. De cijfers heeft hij nochtans aan zijn zijde: Nederland was hekkensluiter in het realiseren van de Lissabon-doelstellingen, waarin Europese landen afspraken 3 procent van hun bnp in R&D te steken. Van 2000 tot 2006 boekte Nederland geen enkele vooruitgang om dit percentage op te krikken. Het bleef steken op 1,84 procent (publiek en privaat samen, exclusief onderwijs) en anno 2009 staat de teller met 1,76 procent zelfs nog lager. Getuigt zijn insteek om beschikbare middelen over een zeer beperkt aantal gebieden uit te spreiden niet van een cynisch defaitisme?

’Goede vraag. Misschien zit ik al te lang in dit wereldje‘, begint Bruins voorzichtig. En na nog een korte stilte: ’Je kunt niet alles financieren, dat is een kwaliteitsmechanisme. Anderzijds doen we dat nu al zo lang dat er geen slecht onderzoek meer is.‘ Dan herpakt hij zich. ’Nee, ik ben serieus van mening dat je zorgvuldig met belastinggeld moet omgaan en het dus op de zaaiplekken moet leggen waar het het beste wordt besteed.‘

Dat er ook wel eens verkeerd gekozen zou kunnen worden, deert Bruins niet. ’Innovatie is geleide chaos, het gaat soms fout. Ik begrijp dat het zo in de politiek niet werkt, maar je moet durven accepteren dat keuzes verkeerd kunnen uitpakken.‘ Daarom zou innovatiebeleid eigenlijk buiten de politiek geplaatst moeten worden. ’Het mandaat van politici loopt zo ongeveer 24 uur na de verkiezingen af; daarna kunnen ze geen impopulaire of risicovolle maatregelen meer nemen. Dat past niet bij innovatiebeleid, dat per definitie lange termijnen moet bestrijken en grote onzekerheden kent.‘

’We hebben het Innovatieplatform naar Fins model gehad, maar dat werkte in de Nederlandse afrekencultuur niet. Dus moet je het stelsel gedepolitiseerd opzetten. De politiek maakt de nationale langetermijnkeuzes, de uitvoering ligt vervolgens bij onafhankelijke organisaties. Dan koppel je het los van de waan van de dag waar de politiek aan onderhevig is. Mocht het nodig blijken, dan ben ik voorstander van een onafhankelijke innovatieraad die de scherpe keuzes handhaaft.‘

Dit standpunt van Bruins is minder populair. Vooral kleinere ondernemingen vrezen dat de overheid hun belangen uit het oog verliest door de lobby van grotere bedrijven. Terecht, zegt Bruins. ’Ik heb die twijfel ook. Het is een hele kunst om vast te houden aan een beperkt aantal thema‘s. Daar heb je neutrale experts voor nodig. In Zwitserland hebben ze daar ervaring mee. Daar werken ze met een ’technologiedomein‘, een model waar nu ook onze drie technische universiteiten voor pleiten. Een neutrale instantie verdeelt in dat technologiedomein het geld over de spelers.‘

Eppo Bruins DSC_4566 400px

’Volgens de drie technische universiteiten zou in Nederland STW die rol op zich kunnen nemen. Daarover loopt nu een discussie. STW is ongevoelig voor lobby‘s. Ik krijg wekelijks een telefoontje of een mailtje van mensen die zeggen: ’Beste Eppo, ik ben met dit of dat onderwerp bezig. Mag ik eens met je komen praten?‘ Mijn standaard antwoord is: we hebben het open technologieprogramma, het perspectiefprogramma en partnershipprogramma‘s, onze brievenbus staat open. Einde gesprek. De processen en besluitvorming bij de verdeling van de Fes-gelden hebben betrokkenen niet altijd als helder ervaren en dat is niet goed. Je hoort je gelijk te halen in een level playing field.‘

’Onze procedures zijn fair, helder en transparant. We maken harde keuzes – slechts tien tot dertig procent van de ingediende voorstellen wordt gehonoreerd – maar aan het einde van de rit zegt iedereen: het is eerlijk gegaan. Dat is waar STW groot in is en als zodanig beschouw ik de lopende 3TU-discussie over mogelijke uitbreiding van onze rol als een erkenning.‘

Surplus

Begin jaren negentig was Bruins (veertig, getrouwd, twee zoons) zelf onderzoeker, maar niet in de toegepaste hoek. Hij begon zijn wetenschappelijke carrière als aio bij de stichting Fundamenteel Onderzoek der Materie, waarmee STW nu een kantoor deelt in Utrecht. Zijn werk in de hoge-energiefysica had duidelijk indruk gemaakt, want hij kon daarna als postdoc aan de slag bij MIT. Toch zette hij twee jaar later een punt achter zijn wetenschappelijke loopbaan.

’We kregen toen ons tweede kindje. Ik wilde dat mijn kinderen een stabiele plek en een goede school zouden hebben. Het zag er niet naar uit dat er in Nederland een universitaire positie vrij zou komen, dus ben ik naar iets anders gaan zoeken.‘ Bij Fom kon hij aan de slag als programmacoördinator, precies in de tijd dat deze organisatie actiever de samenwerking begon te zoeken met het bedrijfsleven. ’Zo ben ik in een meer toegepast pakket gerold en kwam ik erachter dat wetenschap met een maatschappelijk doel eigen nog leuker is‘, lacht hij.

Na vier jaar instituutsmanager van het Leiden Institute of Physics te zijn geweest, werd Bruins gevraagd te solliciteren naar de directeursfunctie bij STW. Toen hij werd uitgekozen, was hij 38, de jongste topman bij de stichting ooit. ’Heel spannend vond ik het. Je moet het maar kunnen, op zo‘n zichtbare stoel zitten. Nu kan ik me geen leukere baan voorstellen. Ik voel me nog steeds wetenschapper, ook al heb ik al dertien jaar geen onderzoek gedaan. In mijn functie ben ik dienstbaar aan de wetenschap én aan de maatschappij.‘

Bruins is bloedserieus over zijn maatschappelijke missie. Wat een idealist precies is, zegt hij niet te weten, maar hij ’heeft wel een gezonde angst om deze aarde te verlaten zonder iets ten goede veranderd te hebben‘. Dat zijn ’materiaalschaarste oplossen, drinkwater wereldwijd beschikbaar maken en rechtvaardige verdeling van welvaart bewerkstelligen. In die volgorde, omdat ik als directeur van STW in die volgorde het meeste kan bijdragen.‘

Technologie als dé oplossing presenteren voor de maatschappelijke problemen waarmee de wereld kampt, het duikt de laatste tijd vaker op. Bruins gelooft er heilig in, maar met een Hollandse nuchterheid. ’Het is eigenlijk heel cynisch, maar de wereld veranderen doe je door de juiste voorwaarden te scheppen, zodanig dat iemand geld kan verdienen aan dat wat de wereld beter maakt.‘

Ook de bv Nederland zou er goed aan doen zijn technologie niet te veronachtzamen: we verdienen er volgens Bruins het merendeel van ons brood mee. Hij pakt er een sheet bij en schetst al gebarend een plaatje ’dat de meeste mensen gewoon niet geloven‘. Hij telt uit hoe zeventig procent van de Nederlandse bevolking in de dienstensector werkt, van wie zeventig procent in de non-profit. ’Dat is geld rondpompen. De agent beschermt de verpleegster en de verpleegster verzorgt de zieke agent. Dat levert geen geld op, dus waar zit de meerwaarde?‘. Zijn vinger blijft hangen bij de export. ’Hier. Zo‘n twintig procent van het land verdient zeventig procent van ons surplus, waarvan een fors deel op het conto komt van de productiesector. We verdienen ons geld dus wel degelijk met het maken van dingen. Slimme, hightech dingen.‘

Tijd dus om innovatie weer de plek op de agenda te geven die zij verdient. ’We hebben de afgelopen jaren vooral ambities geformuleerd, maar zijn niet eens begonnen die te realiseren. Er zijn ook wel een paar heel goede dingen gedaan, maar als puntje bij paaltje komt, mag het vooral niks kosten. Heel gevaarlijk, want als het aardgas op is, kunnen we alleen nog maar kennis exporteren.‘