René Raaijmakers
11 September 2006

Philips Medical Systems koopt steeds meer onderdelen van zijn geavanceerde systemen in. Als het kan in kant-en-klare brokken. Toeleveranciers krijgen meer en meer de verantwoordelijkheid om modules en kennis in eigen huis te ontwikkelen. Alleen daarmee is de race naar meer features en betere functionaliteit vol te houden. We praten erover met Roel Fonville, directeur van Philips Medical Systems in Nederland.

’We hebben het altijd over de kosten van de gezondheidszorg, maar nooit over de baten.‘ Roel Fonville wil dat graag onderstrepen. Hij ervaart het als directeur van Philips Medical Systems (PMS) in Nederland en zodanig als werkgever aan drieduizend mensen vrijwel dagelijks: technologie spaart maatschappelijke kosten.

Fonville geeft als voorbeeld de röntgenapparaten die Philips Medical Systems voor cardiovasculaire chirurgie maakt. Artsen gebruiken deze doorlichtmachines tijdens het dotteren van patiënten. ’Daar moeten mensen gemiddeld een paar dagen voor in het ziekenhuis liggen. De dag ervoor worden ze opgenomen en de dag erna gaan ze weer naar huis. De dottertechniek is al een jaar of vijfentwintig oud, maar wordt steeds meer toegepast, ook in gevallen waar artsen tot voor kort moest opereren. Vroeger werd alles geopereerd. Dan heb je het over zware ingrepen aan hart of aorta. In Amerika en Europa zijn hartziektes nog steeds doodsoorzaak nummer één, maar ten opzichtte van kanker loopt het relatief terug.‘

De verschillen zijn formidabel. ’Drie, vier ligdagen tegen veertien ziekenhuisdagen. Het maakt een heel verschil als iemand slechts veertien dagen thuis herstelt of drie maanden. De verschillen in maatschappelijke kosten zijn enorm.‘ Dan heeft hij het niet eens over de verbeterde diagnostische technologie die het mogelijk maakt om ziektes als kanker steeds vroeger te ontdekken. ’Als je borstkanker heel vroeg kunt ontdekken, dan is de kans dat een vrouw helemaal geneest en geen uitzaaiingen heeft, veel groter dan bij grotere carcinomen. Als je ziektes vroeg ontdekt, snijdt het mes aan twee kanten. De behandeling is veel goedkoper en de kans op definitieve genezing is veel groter.‘

Roel Fonville gaat meteen na zijn studie vastestofchemie in Groningen naar Philips. Hij stapt in de voorontwikkeling van passieve componenten bij Elcoma. Daarna vertrekt hij naar Nijmegen, diodes ontwikkelen. Hij krijgt het technisch management voor de productlijn kleinsignaaldiodes, waarvan de diffusie in Nijmegen gebeurt en de assemblage in Hong Kong en Stadskanaal. Zo komt hij opnieuw in Groningen terecht. Stadskanaal levert gelijkrichters en hoogspanningsbronnen over de hele wereld. Uiteindelijk wordt Fonville er plantmanager. Met die ervaring vraagt Philips hem in 1995 als bedrijfsdirecteur van de Nijmeegse vestiging waar ook de chipfabriek staat. Na een korte periode als Europees manager voor beeldbuizen begint hij in 2002 bij Philips Medical Systems als directeur Nederland. ’Ik kende de organisatie vanuit mijn tijd bij Semiconductors, want ik ontwikkelde ooit een detectordiode voor een CT-scanner. Dat is bij mijn weten nog steeds de grootste chip die ooit in Nijmegen is gemaakt. Er pasten er drie op een 3 inch plak.‘

 advertorial 

Sigasi Extension for Visual Studio Code

Sigasi announces the release of their VS Code Extension with rich support for SystemVerilog, Verilog, and VHDL. Our extension provides features and language support such as code navigation, project management, linting, code formatting, tooltips, outline, autocomplete, hover, and much more!

Het aantrekkelijke van werken bij Medical Systems vindt hij het samenkomen van verschillende disciplines. ’Niet alleen software en mechatronica spelen een rol, maar ook de biologische en medische achtergronden. Daarnaast spreekt het product aan. In chips zit geweldig veel technologie, maar voor leken is er weinig te zien als er ook nog eens zo‘n zwart stukje plastic omheen zit. Medische producten snapt iedereen. Het is natuurlijk ook mooi dat je iets kan doen om iemands leed te verzachten of als je helpt levens te redden.‘

0691116592200

Grote werkplaats

Er was een tijd dat Philips zowat alle onderdelen voor zijn medische systemen zelf ontwikkelde. ’Toen was hier ook een grote werkplaats waar we vrijwel alle mechanische onderdelen zelf maakten. Die werkplaats is weg. De productie van printplaten is ook uitbesteed. Dat loopt nu beter dan toen het in huis zat, vanwege de volumes. Maar ook de C-bogen voor cardiovasculaire chirurgie zijn subcomponenten die we inkopen.‘

Fonville ziet een continue verschuiving in wat Philips Medical als kerntechnologie voor zijn systemen beschouwt en dus in eigen huis wil blijven ontwikkelen. ’Wat er ook gebeurt, we blijven de medische noodzaak vertalen naar architecturen voor medische systemen. We combineren klinische wetenschappen met onze technische kennis. Core of non core? Het verandert steeds. Vroeger hadden we een eigen CCD-camera, omdat we daar heel goed in waren en vrijwel niemand ze maakte. Tegenwoordig kun je die overal kopen. Het verschuift.‘

Daarnaast is er de groeiende functionaliteit. ’Het is net als met tv. Van zwart-wit kwam er kleur, stereo, teletekst, ambient light enzovoorts. Zo was een röntgenapparaat vroeger een bron en een detector en dat was het zo‘n beetje. Tegenwoordig willen artsen opnames maken en terugspoelen. De patiëntentafel, de bron en detector moeten kunnen bewegen. Het aantal features wordt steeds groter en het is dus ondoenlijk om alle modules zelf te blijven ontwikkelen als je in high value, low volume zit. Zeker als je voorop wilt blijven lopen.‘

Patiëntentafel

Een van de niet-kernactiviteiten die Medical Systems de afgelopen jaren buiten neerlegde was de ontwikkeling van een patiëntentafel. Vorig jaar bracht de Frencken Groep uit Eindhoven naar buiten dat het deze module voortaan ontwierp en bouwde voor PMS. Is dit een succes? Voor Fonville daarover een ’echt statement‘ kan maken, zegt hij ’nog een paar jaar‘ te willen wachten.

Lopen de aantallen niet of is de ontwikkeling niet rijp? Fonville: ’We zitten in de aanloopfase. Voor de oudere apparaatseries maken we de tafels nog zelf. Met Frencken zijn we net begonnen voor één type. We hebben de patiëntentafel samen met de ploeg bij Frencken wel zo ontworpen dat hij ook naar andere modaliteiten kan.‘ Een modaliteit is een serie apparaten rondom één fysisch principe.

De patiëntentafel staat model voor een trend. In het verleden besteedde Medical Systems alleen maakwerk uit. Nu wil het Philips-onderdeel graag functionele specificaties neerleggen. Toeleveranciers doen vervolgens het ontwikkelwerk voor deze modules, waarbij ze delen in het risico. ’We moeten af van het uurtje-factuurtje. Het is belangrijk dat toeleveranciers ook een rol kunnen spelen in het ontwikkelproces. Als ze meerdere partijen bedienen kunnen ze grotere volumes draaien. Daarmee krijgen ze een groter leereffect dan wij met onze beperkte aantallen.‘

Dat vraagt ook dat bedrijven tegen een stootje kunnen, zegt hij. ’Als een ontwikkeling stopt, dan moeten ze niet meteen omvallen. Ze moeten tegenvallers kunnen incasseren. Van de andere kant moet er een beloning zijn als het wel lukt.‘

Daarmee komt Fonville op de huidige consolidatieslag in de toeleverende industrie. Onder applaus van hun opdrachtgevers vormden Te Strake en Nebato vorig jaar de NTS Groep. VDL nam onlangs Philips‘ Enabling Technologies Groep over. Daarnaast is er de strategische alliantie die Bosch Rexroth (voorheen Nyquist), CCM, Frencken en Ruco vormden voor de vervaardiging van geavanceerde mechatronische systemen.

Op het verschil tussen een fusie of overname (NTS, VDL ETG) en een alliantie (Bosch, CCM, Frencken, Ruco) wil Fonville niet ingaan. ’Voor ons gaat het om de capabiliteit en het vertrouwen in een stabiele toeleverancier. Onze producten staan lange tijd in het veld en wij hebben serviceverplichtingen die tien jaar lang blijven doorlopen. De constructie is aan de bedrijven, maar het moet bij ons wel vertrouwen geven dat ze aan onze criteria kunnen voldoen.‘ Voor schaalgrootte heeft Medical Systems geen meetlat, benadrukt hij. Vertrouwen is belangrijker. ’Dat ligt voor de ene module anders dan voor het andere. Ik kan er geen generieke uitspraak over doen.‘

Merge centers

Op een congres over toeleveren en uitbesteden aan de TU Eindhoven sprak Fonville onlangs over een toekomstvisie waarbij modules van medische apparaten op het einde niet meer door een test- en integratiefase gaan. Dat zou forse besparingen opleveren. In een ideale situatie sturen Philips Medical Systems en zijn toeleveranciers hun modules direct naar het ziekenhuis, waar monteurs het zonder veel omkijken als lego in elkaar klikken. ’Al zullen we die onderdelen vooraf wel blijven verzamelen, want je wilt niet dat er een dozijn toeleveranciers aanbelt met onderdelen voor de nieuwe scanner.‘

Op dit moment komen de onderdelen in merge centers samen. Deze centra bedienen de hele wereld. Alle modules voor NMR-apparatuur gaan naar Best, de eindassemblage voor CT-scanners gebeurt in het Amerikaanse Cleveland. Daar volgt een test- en integratieprocedure. ’We bouwen onze apparatuur daar op, testen, en als het functioneert halen we alles weer uit elkaar en sturen het naar het ziekenhuis. Een ziekenhuiskamer voor een ongedefinieerde periode bezet houden kan niet. De tijd is beperkt, dus moeten we zeker stellen dat de modules die onze toeleveranciers leveren, goed zijn getest en binnen onze architectuur passen. Als je echter zeker weet dat de modules goed functioneren, dan hoef je dat opbouwen en afbreken niet meer te doen. Als dat gegarandeerd is, dan kunnen we naar het nieuwe model toe.‘

In de merge centers is dat doel overigens gedeeltelijk al bereikt. Sommige onderdelen voor NMR, zoals de magneet, testen ze in Best niet meer. Alles komt echter wel samen met de onderdelen die wel door het hele integratie- en testproces stromen.

Spaghetti

Terwijl Philips naar sommige modules niet meer hoeft om te kijken, is er voor andere een intensieve screening. Wat doen de leveranciers van de eerste spullen zo goed? Wat hapert er aan de tweede groep? Kunnen ze van elkaar leren? Na deze vraag steekt Fonville de hand in eigen boezem. ’Voor ik iets over die bedrijven zeg, wil ik eerst iets over onszelf zeggen‘, legt hij uit. ’De helft van het antwoord ligt in het stellen van de goede vraag. Als wij op het einde nog moeten schroeven, dan hebben we misschien niet helemaal de goede vraag gesteld.‘

De problematiek is inherent aan een industrie met lage volumes. ’Wij moeten de systeemarchitectuur zodanig ontwerpen dat die componenten te testen zijn. In dat geval weten we aan de leverancier de goede vraag te stellen: let daar en daar op, want onze architectuur vraagt dat. Als je kijkt naar onze productarchitectuur, dan is dat nog vaak een belemmering. Daar moeten wij echt stappen ondernemen. Onze architectuur moet modulair testbaar zijn. Als je kijkt naar de oudere ontwerpen, dan is dat spaghetti. Alles loopt door elkaar. Je kunt nog zo‘n goede leverancier hebben, als wij een spaghetti-spec op tafel leggen, kan hij daar geen chocola van maken. Het begint bij onszelf.‘

Wat de huidige uitblinkers zo goed doen? Volgens Fonville beheerst de top onder de toeleveranciers vooral hun eigen processen goed. ’Ook weten ze de goede vragen te stellen, zodat wij hen op onze beurt vragen kunnen stellen. Dat zijn verbeterprocessen die jaren duren. Er is ook veel verschil. Voor printplaten of kabels heb je volwassen industrieën. Mechatronica is moeilijker. Om de hele beeldverwerkingsketen te testen is toch wel een forse meetkast nodig. Dat is echt een graadje moeilijker.‘

Juridische brij

Partners van Philips willen nog wel eens klagen over de juridische brij waar ze doorheen moeten. Als je met Philips in zee gaat, dan is een advocaat geen overbodige luxe, hoor je wel eens. Fonville begrijpt dat, maar Philips kan er niet omheen, zegt hij. Exposure en aansprakelijkheid spelen een grote rol. ’Philips heeft deep pockets. Er zijn partijen die willen profiteren van een foutje in het contract. Daar moeten wij onszelf tegen verzekeren. Er zijn gevallen bekend waarin wij niet zorgvuldig waren en dat het ons flink geld kostte.‘

Maar ook Medical Systems zoekt naar hanteerbare afspraken. Fonville wijst op het project Collaborative product innovation in manufacturing (CPIM) van het Telematica Instituut en de Brabantse Ontwikkelingsmaatschappij (BOM). Daarin onderzoeken Philips Medical Systems, Assembléon en FEI met Bosch Rexroth, CCM, Frencken, NTS, Prodrive en Sioux hoe ze risico‘s, kosten en baten kunnen verdelen wanneer toeleveranciers vroegtijdig betrokken zijn in de productontwikkeling. ’Binnen CPIM bekijken we of we praktische afspraken met elkaar kunnen maken die in het dagelijkse leven werken. Dus wij herkennen het probleem wel, met name als je over intellectuele eigendom praat.‘

High Tech Systems Platform

Fonville stond mede aan de wieg van het High Tech Systems Platform. Dit initiatief van ASML, FEI, PMS, Stork, Thales en Vanderlande wil een van de gezondste takken van de Nederlandse industrie een gezicht geven. De deelnemers stellen met elkaar en toeleveranciers verbeterprogramma‘s op om hun innovatieve kracht te verhogen. Daarnaast hebben ze inmiddels een prioriteitenagenda opgesteld met kennis en onderwijs bovenaan. ’Wij identificeren de key competences die nodig zijn voor onze bedrijven. Dan praat je over embedded software, mechatronica en goed opgeleid personeel en een aantal instituten of competenties die voor onze industrie van belang zijn. Met goede partners zoals het Embedded Software Institute zetten we samenwerkingsprojecten op voor precompetitieve ontwikkeling.‘

Op dit moment loopt nog steeds de aanvraag voor een vijfjarig High Tech Systems-programma, dat een extra stimulans moet vormen voor mechatronicakennis. Fonville zegt zich niet in de huidige discussie over de wenselijkheid en researchthema‘s van dit programma te willen mengen. ’Die kennis hebben we nodig‘, onderstreept Fonville. Maar het maakt hem niet uit in welke vorm die uiteindelijk wordt gegoten. Als de kennis maar van topniveau is. ’Op de eerste plaats moet ons bedrijf op wereldniveau concurreren. Dus moeten de instituten of partners waarmee we samenwerken ook van wereldklasse zijn. Anders worden we links en rechts ingehaald. Dus hebben wij belang bij een uitstekend competentieniveau. Hoe dat tot stand komt, dat laat ik graag aan professoren en andere kennisdragers over.‘