Paul van Gerven
4 July 2011

Minister Verhagen en zijn ambtenaren besluiten deze zomer hoe 1,5 miljard euro onderzoeksgeld over negen topsectoren wordt verdeeld. Innovatiehoogleraar en topsectorfan Dany Jacobs had liever gezien dat onafhankelijke commissies wat meer geld te verdelen hadden gehad.

Vrijdag 17 juni nam minister Verhagen van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie de verlanglijstjes in ontvangst van negen ’maaksectoren‘, waaronder uiteraard de hightech, die leidend worden geacht voor de Nederlandse economie. Een tiende advies ging over te nemen maatregelen om meer hoofdkantoren te lokken. Verhagen hakt deze zomer de knoop door hoe hij zo‘n 1,5 miljard euro – bijeen geveegd uit bestaande potjes – de komende jaren over deze tien gebieden gaat verdelen.

Hoogleraar Industriële Ontwikkeling en Innovatiebeleid Dany Jacobs is niet erg te spreken over deze consultatieprocedure. ’Een beauty contest‘, noemt hij het. ’Alle deelnemers proberen natuurlijk zo mooi mogelijk voor de dag te komen bij de jury, de ministeries. Veel beter zouden concrete voorstellen zijn geweest, die worden beoordeeld door autonome commissies. Want nu heb je toch weer het risico van een machtsstrijd tussen ministeries om hun budget en invloed te vergroten, zoals dat ook gebeurde bij de verdeling van het Fonds Economische Structuurversterking.‘

Jacobs, al jaren adviseur van de overheid in innovatiezaken, is een voorstander avant la lettre van de topsectoren, of sleutelgebieden, zoals ze ten tijde van het Innovatieplatform heetten. ’Ook sterke sectoren hebben te maken met internationale concurrentie, dus is het prima om die te ondersteunen. Mijn stelling is dat ook niet-gesteunde sectoren daarvan profiteren, zelfs meer dan van generieke belastingverlaging. Sterke clusters zuigen de zwakkere mee‘, aldus de hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam.

dany_jacobs

Jacobs is wel teleurgesteld over het feit dat de zes sleutelgebieden uit de vorige regeerperiode zijn uitgebreid naar negen topsectoren, terwijl er netto wordt bezuinigd op innovatie. Grosso modo bestaat de bezuiniging uit het schrappen van meevallers op de aardgasbaten, doorgaans goed voor zeker enkele honderden miljoenen euro‘s per jaar, met uitschieters naar een miljard. Het reguliere innovatiebudget blijft intact, maar Verhagen buigt dat om van specifiek (subsidies) naar generiek beleid (belastingvoordelen voor R&D-activiteiten). Al met al toch een ’stevige verwatering‘ ten opzichte van het topsectorenbeleid zoals hij dat graag zou zien, vindt Jacobs.

De innovatie-expert ziet echter ook weer niet de noodzaak om grote bedragen erbovenop te doen. Alexander Rinnooy Kan, voorzitter van de Sociaal-Economische Raad, en de Kennis en Innovatie Agenda (Kia), de officieuze opvolger van het Innovatieplatform, vraagt om miljarden per jaar extra. Absurd, vindt Jacobs. ’Het gaat toch prima met de Nederlandse economie? Dan doen we toch iets goed. Hoeveel geld er naar R&D gaat, hangt helemaal af van de samenstelling van de economie. Neem Finland – jaren hét innovatievoorbeeld met het hoogste percentage van bbp naar onderzoek, maar nu met Nokia toch behoorlijk in de problemen.‘

Hoeveel extra was er dan wel nodig geweest volgens Jacobs? ’Ik zou zeggen: structureel 750 miljoen per jaar erbovenop om continuïteit te geven aan instituten en projecten die in het verleden in gang zijn gezet. Natuurlijk moet je altijd blijven evalueren of iets zijn geld nog waard is, maar er zijn op dit moment veel initiatieven die het waard zijn om voort te zetten – óók voor de industrie.‘

Dit sentiment wordt breed onderschreven door technische bedrijven. ’De nu doorgevoerde kortingen op de overheidsbijdrage aan innovatie mogen dan ook niet maatgevend zijn voor de toekomst‘, schrijft werkgeversorganisatie FME. Amandus Lundqvist, boegbeeld van de adviescommissie Hightech & Materialen, komt zelfs op een hoger bedrag uit. Om de Nederlandse kenniseconomie te redden moet er ’minstens twee miljard euro bij‘, zegt hij in weekblad De Groene Amsterdammer.