Paul_van_Gerven_09

Paul van Gerven is redacteur bij Bits&Chips.

27 August 2008

Onlangs pleitte de Wetenschappelijke Raad voor Regeringsbeleid (WRR) voor een opener innovatiebeleid. De innovatiecapaciteit van Nederland loopt achter bij die van andere Europese landen, zo viel te lezen in het rapport ’Innovatie vernieuwd‘. Dat komt door het beleid dat de Nederlandse overheid voert. Zij financiert en subsidieert weliswaar onderwijs en onderzoek, maar prikkelt bedrijven en ondernemers in de dop nauwelijks om daar de vruchten van te plukken. Zo kan het dat Nederland mag bogen op een uitstekende wetenschappelijke output in de vorm van patenten en publicaties, maar die nauwelijks verzilvert. Eigenlijk, zo wilde de WRR maar zeggen, is technologisch Nederland net het Nederlands elftal: een veld bomvol talent, maar zelden een passende trofee.

Het adviesorgaan zou Nederland het liefst zien als ’een plaats waar andersdenkenden elkaar ontmoeten‘. Als sentiment is dit een schot in de roos. Nederland als vruchtbare bodem waar de internationale onderzoeksgemeenschap maar wat graag samenkomt om te R&D‘en, dát is pas een kenniseconomie. Nederland als één groot Imec of Holst Centre, is er een betere manier om de doelstellingen te realiseren van het in 2003 opgerichte en sindsdien zo verguisde Innovatieplatform?

Waarschijnlijk niet. Als klein landje kunnen we, hoe slim we ook zijn, niet alles zelf doen. Daarom is het verstandig om op buitenlandse inbreng in te zetten. Dat zal ook ons prestige en vestigingsklimaat veel goed doen. En, opnieuw in termen van Oranje, als er alleen Nederlandse spelers op het veld staan, wil het nog wel eens schorten aan teamwork en Begeisterung. Stel dezelfde jongens op bij een multinationale topclub en ze komen tot volle wasdom. Bovendien mag Nederland als gastheer verwachten dat een interessant deel van de opgedane kennis op eigen bodem blijft en te gelde wordt gemaakt. Daar zullen best een paar leuke bedrijfjes uitkomen, en wie weet een kleine ASML of een Tomtommetje.

Deze visie vereist echter een radicale omslag in het politieke denken, in ieder geval op twee punten. Ten eerste moet de overheid het internationale karakter van de hedendaagse R&D onderkennen en niet moeilijk doen over buitenlandse projectpartners die meeprofiteren van onze geldpot. Wij schieten er tenslotte ook wat mee op. De WRR vindt in ieder geval van wel. Ten tweede is het totaal overbodig om in lijvige hoofdstukken aan te tonen dat het projectvoorstel in kwestie een innovatie gaat baren die op zijn beurt geld in het laatje gaat brengen. Elk onderzoek naar de aard van innovatie wijst tenslotte uit dat altijd een fors gedeelte van de probeersels faalt.

Dat is politiek niet te verkopen, zei minister Van der Hoeven al met zoveel woorden toen ze het boekwerkje in ontvangst nam. ’Accepteren dat er wordt gefaald, betekent dat de uitkomsten onzeker zijn. Daar houden ze niet van in Den Haag‘, zei ze. Onzekerheid ban je niet uit, maar ondersteunend onderzoek en liefst bewijs kunnen geen kwaad. De politiek houdt daar een andere visie op na en baseert zich liever op los zand.

Een nieuw medicijn komt pas op de markt wanneer een reeks rigoureuze tests heeft bewezen dat het effectief is en gevaarlijke neveneffecten zo goed als uitgesloten zijn. Dat spreekt voor zich, het gaat immers om mensenlevens. Toch is het in de politiek schijnbaar de normaalste zaak van de wereld om beleid te initiëren op basis van aannames en ideologie, in plaats van hard bewijsmateriaal. Hier gaat het nog een stapje verder. Er ligt voldoende bewijs op tafel om het innovatiebeleid te hervormen, maar het is niet te verkopen in de quasi-werkelijkheid van Den Haag.

Er wordt de laatste tijd veel gemopperd op ’de politiek‘, maar van deze loszandtsunami had u vast nog niet gehoord. Een gouden kans voor een politicus om zich in de kijker te spelen en de zoveelste misstand op het Binnenhof aan de kaak te stellen. Wie gaat ermee aan de haal? Ik vrees het ergste: niemand.