Paul van Gerven
17 januari

Al twintig jaar ambieert Nederland zijn r&d-investeringen substantieel te verhogen, zonder resultaat. Waarom is het zo moeilijk?

Nederland scoort uitstekend in internationale innovatie- en competitiviteitsranglijsten. Wonderbaarlijk goed zelfs, wanneer de relatief lage r&d-investeringen in acht worden genomen. De Nederlandse overheid geeft, afgezet tegen de omvang van de economie, ongeveer het EU15- en Oeso-gemiddelde uit aan onderzoek en ontwikkeling. De uitgaven van het bedrijfsleven vallen in internationale context behoorlijk laag uit.

Nederland haalt duidelijk een hoog rendement op zijn r&d-investeringen. Alle reden dus om te proberen de r&d-intensiteit (de uitgaven aan r&d als percentage van het bbp) te verhogen, vindt ook de politiek al jarenlang. In 2000 schaarde Nederland zich achter het Europese Lissabon-akkoord, dat de streefintensiteit bepaalde op 3 procent van het bbp. In de vervolgstrategie Europa 2020 koos Nederland voor een iets bescheidener ambitie: 2,5 procent van het bbp.

Dat doel zal niet worden gehaald, ook niet een paar jaar te laat, concludeert het Rathenau Instituut. De r&d-intensiteit blijft steken rond de twee procent, in lijn met de historische trend.

Twintig jaar, nul resultaat. Nam de politiek haar eigen doelstelling soms niet serieus? Er lijkt iets anders aan hand: niemand leek in te zien welke radicale implicaties de doelstelling van 2,5 procent met zich meebrengt.

Tijd voor regie

Een blik terug in de tijd geeft al een goede indicatie waarom het een enorme opgave is om de Nederlandse r&d-investeringen te verhogen. De r&d-intensiteit van Nederland schommelt sinds de jaren zestig tussen 1,7 en 2 procent van het bbp, een enkele uitschieter daargelaten. Er moet duidelijk iets bijzonders uit de hoge hoed worden getoverd om daarboven uit te stijgen.

De overheid zelf wilde het voortouw niet nemen: de overheidsuitgaven als percentage van het bbp schommelen al jaren rond hetzelfde niveau. Ook de komende tijd zullen ze niet stijgen, blijkt uit een doorrekening van het regeerakkoord door het Rathenau. De publieke r&d-uitgaven nemen wel toe, maar de economie groeit naar verwachting sneller.

R&d-uitgaven van Nederland en ‘s werelds grootste economische blokken in 2016, als percentage van het bbp.

Een stijging van de bedrijfsmatige r&d is ook niet erg waarschijnlijk, concludeert het Rathenau. Nederlandse r&d-intensieve bedrijven steken, afgezet tegen hun internationale branchegenoten, namelijk al bovengemiddeld veel geld in onderzoek en ontwikkeling. Daarom is het niet aannemelijk dat zij daar nog een schepje bovenop zullen doen.

De relatief lage private r&d-investeringen zijn dan ook vooral het gevolg van de Nederlandse economische structuur. Het ontbreken van een ‘volume-industrie’ als auto- of halfgeleiderfabricage en de beperkte aanwezigheid van farmaceuten en it-bedrijven laten hun sporen achter. Ook ING concludeerde in een studie daterend uit 2014 dat de Nederlandse private r&d-uitgaven gecorrigeerd voor de sectorstructuur helemaal niet zo laag zijn.

Realisering van de 2,5-procent-doelstelling is daarom geen kwestie van aan een paar knoppen draaien of er hier en daar een schepje bovenop doen. Het vergt ontplooiing van nieuwe activiteiten en verbreding van de economische structuur.

Zoiets gaat niet vanzelf. Het betekent dat de overheid keuzes durft te maken en bereid is een regierol op zich te nemen. De tijd lijkt er rijp voor, met een klimaattransitie en vele andere maatschappelijke problemen voor de deur.