Pieter Edelman
19 December 2014

De technologie voor dotterprocedures vindt steeds meer toepassingen buiten de cardiologie. Embolisatie is bijvoorbeeld een relatief nieuwe procedure om de bloedtoevoer naar een tumor af te snijden en bovendien een hoge dosis chemotherapie te geven. Beeldvorming speelt hierbij een cruciale rol.

Voor kanker bestaat helaas geen zilveren kogel, maar met vele kleine verbeteringen in chirurgie, medicatie en radiotherapie worden toch enorme stappen gezet in de levensverwachting en, net zo belangrijk, de kwaliteit van leven van patiënten. Het arsenaal dat de arts voorhanden heeft om de ziekte te bestrijden, wordt steeds verder uitgebreid, soms met verbeteringen van bestaande middelen, soms met totaal nieuwe ideeën.

Een van de relatief nieuwe technologieën – ontwikkelingen in de gezondheidszorg duren jaren, dus nieuw is een rekbaar begrip – is embolisatie. Tumoren leggen eigen bloedvaten aan om in de grote behoefte aan zuurstof en voedingsstoffen te voorzien. Bij embolisatie worden deze bloedvaten afgesloten met kleine beads, waardoor de tumor niet verder kan groeien. De bolletjes worden bovendien voorzien van een chemotherapiemiddel dat langzaam vrijkomt uit het materiaal. Daardoor komen in de tumor hele hoge doses terecht terwijl de rest van het lichaam uit de wind wordt gehouden.

De techniek – die overigens niet voorbehouden is aan de oncologie – is met name in opkomst voor de behandeling van levertumoren. Vaak zijn dit gezwellen die operatief lastig te behandelen zijn, bijvoorbeeld omdat er grote bloedvaten of andere kritieke structuren omheen lopen. Embolisatie kan in dat geval toch een rem op dit soort tumoren zetten.

Philips introduceerde dit voorjaar een 3D-navigatiesysteem om te helpen bij de ingreep, genaamd Emboguide. Embolisatie is een kathetergebaseerde procedure, vergelijkbaar met het plaatsen van een stent of een dotteringreep. Emboguide is dan ook een toevoeging – beeldverwerkingssoftware plus een computermodule en interfacing-hardware – op de systemen die daarvoor gebruikt worden: de interventionele röntgensystemen. Dit zijn de systemen met de karakteristieke C-boog die om de behandeltafel heen wordt geschoven. Op de uiteinden van deze boog zijn een röntgenbron en -detector geplaatst om beelden te maken. Doordat de boog om de patiënt heen kan draaien, zijn projecties vanuit elke hoek te maken en kan de interventionele cardioloog of interventionele radioloog de katheter via een bloedvat naar de juiste positie in het lichaam manoeuvreren. Philips is wereldmarktleider in deze systemen, althans voor cardiologische doeleinden.

 advertorial 

The waves of Agile

Derk-Jan de Grood has created a rich source of knowledge for Agile coaches and leaders. With practical tips to create a learning organization that delivers quality solutions with business value. Order The waves of Agile here.

Embolisatieprocedure
Tijdens een embolisatieprocedure brengt een arts onder begeleiding van beeldvorming een blokkade aan in de bloedvaten rond de tumor.

De C-boog werkt dus net als ct met röntgen, maar de twee technologieën verschillen aanzienlijk. Een ct-scanner is bedoeld om een 3D-beeld te reconstrueren en de röntgenbron draait daarvoor in noodgang rondjes rond de patiënt, terwijl de C-boog 2D-plaatjes maakt. ‘Er worden ook andere trade-offs gemaakt in de beeldvorming’, licht Joost Mikkers, productmanager IXR (interventionele röntgen) bij Philips, toe. ‘Met ct kun je goed verschillende weefselstructuren zien; met de C-boog kun je heel goed zeggen wáár het zit. Dus als je er met je katheter naartoe moet, heb je hier meer aan.’

Discussie

Toch worden er ook steeds vaker 3D-reconstructies gemaakt met de interventionele systemen; vaak wordt aan het begin van een ingreep een 3D-model opgebouwd om het live 2D-beeld op te projecteren. Daarvoor draait de boog een vol rondje om de patiënt heen, een stap die een paar seconden duurt.

Met Emboguide kunnen de tumor en de bijbehorende bloedvaten worden teruggevonden op zo’n scan. Dat gaat, net als bij andere interventionele ingrepen, aan de hand van contrastvloeistof om de bloedvaten zichtbaar te maken. En daarmee lijkt de interventionele aanpak ineens een voordeel te hebben. ‘In een tumor blijkt de overgang van slagader naar ader veel groter dan in gezond weefsel; daar gaat het contrastmiddel veel sneller doorheen. Als je na een seconde of acht een tweede scan maakt, kan de software daardoor heel goed de tumor intekenen’, vertelt Mikkers. ‘We komen er nu achter dat we hier meer tumoren mee vinden dan met ct, dus nu ontstaat de discussie of we hier ook niet de diagnostiek mee moeten doen.’

Hetzelfde geldt voor het vinden van de bloedvaten rond de tumor. ‘Het belangrijkste voor een succesvolle behandeling is dat je alle feeders vindt en dichtstopt. En daar hebben we heel bijzondere resultaten mee geboekt’, zegt Mikkers. ‘In Japan hebben we een studie lopen die het aantal met de hand gevonden feeders vergelijkt met de software. Die is nu zo’n vier jaar onderweg, en je ziet de levensverwachting van patiënten omhooggaan als ze dit gebruiken. Dat is voor ons als techneuten heel bijzonder; het is niet vaak dat het zo tastbaar wordt.’