Paul van Gerven
8 February 2011

Dunnefilmman van het eerste uur Peter van der Vleuten ziet dat verschillende spelers in de solarwereld elkaar niet weten te vinden. Met een Chinese compagnon gaat hij hen aan geschikte partners helpen.

’Ik doe dit niet om maar weer eens een nieuw bedrijf te beginnen‘, zegt Peter van der Vleuten, die onlangs samen met compagnon Shaoxian Zhang het bedrijf Solar Technology Transfer (STT) oprichtte. ’Eigenlijk is het bij toeval op mijn bureau terechtgekomen, toen mensen bij mij aanklopten. Ik loop al vijftien jaar rond in de PV-wereld en heb daar natuurlijk technologische kennis en een uitgebreid netwerk aan overgehouden.‘ Met zijn nieuwe bedrijf wil Van der Vleuten daar munt uit slaan door een soort internationale ’solar-datingservice‘ op te richten, die PV-bedrijven en andere organisaties helpt geschikte partners te vinden.

De meest actief zoekende ’vrijgezellen‘, vertelt Van der Vleuten, zullen te vinden zijn in Azië, in het bijzonder in China. ’Dit land gaat de productie van kristallijn silicium zonnecellen domineren. Binnen een jaar of vijf hebben Chinese bedrijven een marktaandeel opgebouwd van vijftig tot zestig procent en op termijn klimt dat wellicht tot zeventig procent of hoger, zeggen de waarzeggers. In het kielzog daarvan ontstaat behoefte aan nieuwe technologie en betere productieconcepten die doorgaans alleen in het westen te vinden zijn.‘

De Chinezen krijgen echter niet gemakkelijk toegang tot westerse kennis. ’Duitsland en de Verenigde Staten laten hen uit concurrentieoverwegingen niet binnen. Daarom komen ze bij kleinere bondgenoten terecht. Die hebben zelf kennis, maar ook ingangen bij de grotere westerse landen.‘ Voor een land als Nederland, met een sterke traditie in PV-onderzoek en machinebouw, biedt dat perspectief op de lucratieve rol van schakelspeler.

Dikke plakken

In STT‘s visie hebben verschillende werelddelen in grote lijnen hun eigen rol in de PV-keten. Azië kenmerkt zich behalve door zijn productiepotentieel ook door gemakkelijke toegang tot kapitaal en grondstoffen, de Verenigde Staten brengen de meeste kansrijke ideeën voort, maar nemen ook in belang toe als afzetmarkt (vooral in de zuidelijke staten), terwijl Europa vooralsnog de belangrijkste afzetmarkt blijft en bovendien sterk is in de fabricage van productieapparatuur. Voor zonovergoten gebieden als India, het Midden-Oosten en Noord-Afrika valt te verwachten dat daar interesse komt in grootschalige zonnecentrales en het ligt voor de hand de fabrieken daarbij in de buurt te bouwen.

Getuigt deze indeling, bezien vanuit Europees perspectief, niet van defaitisme? In het geheel niet, vindt Van der Vleuten. ’Zo heeft de zonnecelwereld zich nu eenmaal ontwikkeld. Je moet jezelf niet voor de gek houden.‘ Toch zijn er genoeg partijen te vinden die voor Nederland en Europa een meer ambitieuze productierol zien weggelegd. In Limburg zetten Gosse Boxhoorn en zakenpartners bijvoorbeeld een complete siliciumgebaseerde solarketen op, van siliciumproductie tot en met moduleassemblage. Heeft geen toekomst, oordeelt de Eindhovense ondernemer. ’Boxhoorns visie doet me denken aan IBM, dat in zijn enthousiasme voor het mainframebusinessmodel de komst van pc en notebook wegwuifde.‘

Als dunnefilmman van het eerste uur heeft Van der Vleuten het sowieso nooit zo gehad op dikke plakken silicium. STT legt zich dan ook toe op dunnefilmtechnologieën als cadmiumtelluride en Cigs-varianten, in de toekomst mogelijk aangevuld met organische zonnecellen.

Demonstratielijn

Het eerste project loopt al. Solar Technology Transfer coördineert een samenwerking tussen partners uit Azië, Europa en de Verenigde Staten om vacuümvrije massaproductie van Cigs-panelen in de praktijk te brengen. Door het luchtledige achterwege te laten, kan de productie sneller, terwijl de machines en hun gebruik goedkoper uitvallen. De doelstelling is om in de buurt te komen van een halve dollar per watt. Ter vergelijking: kristallijn silicium doet op het ogenblik 1,15 tot 1,25 dollar per watt, terwijl cadmiumtelluride reeds onder de dollar per watt is gedoken.

Voor het hele project ligt ruim een miljard dollar op tafel. Dat is wel even andere koek dan een vergelijkbare volledig Nederlandse onderneming, stelt Van der Vleuten vast. ’Dan moet je gaan schooien voor subsidies.‘ Desalniettemin weet een niet onaanzienlijk deel van het megabudget waarschijnlijk wel zijn weg te vinden naar de Nederlandse economie: tien procent is gereserveerd voor ontwikkelwerk, waaronder de bouw van een demonstratielijn. ’Die komt waarschijnlijk wel in Nederland te staan.‘

In het verlengde van dit soort projecten verwacht Van der Vleuten bovendien dat Nederland veel geld kan verdienen aan de levering van productiemachines. ’Dat kan een multinational van het kaliber ASML opleveren.‘