Nieke Roos
14 September 2017

In de ontwikkeling van complexe software vervult Nederland een voortrekkersrol. Nu is het zaak die koppositie vast te houden.

Software speelt een steeds belangrijkere rol in de hightech systemen die we bouwen in Nederland, en in de Brainport in het bijzonder. Andersom vervullen onze technologiebedrijven een voortrekkersrol op het wereldwijde toneel van complexe software. ‘Deze regio staat bekend als een van de topregio’s voor software-intensieve hightechontwikkelingen’, stelt Hans Aerts, vicepresident software-engineering bij Tomtom, dat r&d-vestigingen heeft in Amsterdam en Eindhoven.

‘We lopen hier voor’, beaamt Mark van den Brand, hoogleraar software-engineering aan de Technische Universiteit Eindhoven (TUE). ‘Softwaregoeroes als Jan Bosch en Philippe Kruchten noemen Eindhoven als het lichtende voorbeeld. Nederland heeft de meeste softwarearchitecten per hoofd van de bevolking, heeft Kruchten ooit gezegd. ASML loopt zelfs ver voor als het gaat om modelgestuurde ontwikkeling.’

Zowel Aerts met Tomtom als Van den Brand vanuit de TUE is aangesloten bij het High Tech Software Cluster (HTSC). Onder regie van Brainport Development hebben hierin een kleine dertig partijen hun krachten gebundeld om de Nederlandse technische-software-industrie nog beter op de internationale kaart te zetten. De deelnemers zijn van divers pluimage: oem’s, systeemhuizen, dienstverleners, toolverkopers, groot en klein. Allemaal zien ze de cruciale rol van technische software en het belang voor deze regio om daarin wereldwijd een topspeler te zijn.

Om zijn visie uit te dragen, treedt het HTSC op als medeorganisator van de Software-Centric Systems Conference (SC2) op 4 oktober in Eindhoven. Dit event moet uitgroeien tot dé bijeenkomst in Europa waar topspecialisten ervaringen uitwisselen in het cruciale en strategische vakgebied van complexe-softwareontwikkeling. ‘SC2 is de ideale gelegenheid om te laten zien dat deze regio wereldleider is in hightech-software-engineering’, aldus Aerts, net als Van den Brand ambassadeur van de conferentie.

Ondenkbaar

Aan de top komen is moeilijk, er blijven is nog een stuk moeilijker. ‘De kosten van softwareontwikkeling zijn hier hoog’, weet Aerts. ‘We zullen een heel hoog prestatieniveau moeten houden om concurrerend te blijven met opkomende lagelonenregio’s zoals Egypte.’

Dat vergt hoogopgeleide engineers, maar die zijn nog steeds schaars, alle techniekpromotie ten spijt. De hightechbedrijven in de regio blijven grote moeite houden om hun groeiende behoefte aan (jong) softwaretalent te bevredigen. Als Aerts om zich heen kijkt in de industrie, ziet hij het aantal ontwikkelaars wel gestaag stijgen, maar tegelijkertijd signaleert hij dat de versterking vaak bestaat uit internationale kenniswerkers. Hij pleit voor meer investeringen in het onderwijs.

Het zal geen verbazing wekken dat TUE’er Van den Brand het daar roerend mee eens is: ‘Onze postdoctorale ingenieursopleiding softwaretechnologie zou twee à drie keer groter moeten worden. Onze uitdaging is enerzijds om goede trainees te vinden en anderzijds om voldoende betaalde eindopdrachten van bedrijven binnen te halen. Ook de in- en uitstroom van de informaticabachelor en -master moeten omhoog, zonder in te boeten op de kwaliteit van opgeleiden.’

Daarnaast is het zaak om meer van elkaars competenties gebruik te maken. ‘Bedrijven als ASML besteden al steeds meer ondersteunende technologieën uit aan toeleveranciers en leggen ook de verantwoordelijkheid voor innovatie steeds meer bij hen’, observeert Van den Brand. ‘Ik zie bijvoorbeeld een duidelijke switch bij Altran. Daar hebben ze de afgelopen jaren meerdere gepromoveerde informatici aangenomen. Tien jaar geleden was dat ondenkbaar.’ Maar om de wereldwijde concurrentie voor te blijven, zullen de bedrijven nog beter met elkaar moeten gaan samenwerken.

Legacy

Vergeleken met de wereld van de apps en andere programmatuur voor meer algemeen gebruik loopt de hightech achter, ook in deze regio. Software wordt de kritieke factor die bepaalt hoe snel bedrijven nieuwe features of geheel nieuwe producten kunnen bouwen. Daardoor neemt de druk toe om de releasefrequentie op te voeren. In de meer algemene softwaredomeinen is continuous engineering al gemeengoed; de hightech beweegt meer en meer in die richting, maar heeft daar nog wel een professionaliseringsslag te maken, vindt Aerts van Tomtom.

Het lastige is dat hightech software een veel langere levensduur heeft dan bijvoorbeeld een app. Machines kunnen wel tientallen jaren meegaan. Ondertussen groeit de code tot een miljoenen regels groot gedrocht waarvan het onderhoud een aanzienlijk deel van het r&d-budget opslorpt. Deze legacy belemmert bedrijven om snel te innoveren. Een oplossing is om helemaal opnieuw te beginnen, zoals ASML heeft gedaan met de software van zijn Yieldstar-systeem, maar meestal is de meegesleepte last zo groot dat bedrijven zich daar niet aan wagen.

Om met een tekort aan mensen de innovatiesnelheid toch te kunnen opvoeren, kijkt de regio onder meer naar vergaande automatisering van het engineeringproces. Modelgestuurde softwareontwikkeling, met automatische productie van programmacode, biedt duidelijke voordelen voor de kwaliteit en de productiviteit, maar ook een heleboel vragen, aldus Van den Brand: ‘Wat kost het? Wat levert het op? Is het levensvatbaar? Is de tooling voldoende volwassen?’ Deze onduidelijkheid zorgt ervoor dat veel bedrijven nog terughoudend zijn om er echt vol voor te gaan.

Voor de concurrentiepositie van de regio is het van belang de onduidelijkheid weg te nemen. Daartoe moeten de hightechbedrijven elkaar opzoeken en kennis delen, zodat ze op hetzelfde niveau met elkaar kunnen praten over complexe-softwareontwikkeling. Dan kunnen ze hun voorsprong op de rest van de wereld zelfs uitbouwen.