12 October 2007

Sinds vorig jaar is Anton Schaaf de nieuwe technologiebaas van Océ. Na een indrukwekkende klim naar de top van Siemens en Deutsche Telekom besloot hij weer dicht bij het hightechvuur te gaan zitten. De afgelopen maanden gebruikte hij om de Venlose R&D-organisatie door te meten. ’Van een nieuw pak wil je toch weten hoe het zit.‘

In de ochtend een beschuitje eten met de R&D-directeur? Als ontwikkelaar bij Océ kan het je zomaar overkomen. Het medewerkersontbijt is een van de manieren waarop Anton Schaaf voeling probeert te krijgen met zijn nieuwe werkomgeving in Venlo. ’Ik nodig willekeurig vijf van mijn mensen uit‘, vertelt de kersverse chief technology & operations officer (CTOO). ’Allemaal uit een andere afdeling. De enige voorwaarde is dat het geen managers zijn. Met hen ga ik dan anderhalf uur bomen onder het genot van een ontbijtje. Praten over de dingen die R&D bezighouden.‘

Met de bijeenkomsten wil Schaaf de organisatie en zijn mensen beter leren kennen. Ook wil hij hen zo laten kennismaken met hemzelf. ’Ik kom toch van buiten. Ik loop hier niet al twintig jaar rond, ik ken niet iedereen van naam en gezicht. Dit soort initiatieven helpt mij om erachter te komen wie hier nou werken en wat hun ideeën zijn. Andersom geven ze mij de gelegenheid om te ventileren hoe ik tegen de wereld aankijk. Normaal vernemen ze dat alleen indirect, via hun bazen. Daarnaast kan ik zo nog eens voelen of wat ik er aan de bovenkant ingooi bij het management ook aankomt bij de medewerkers.‘

Ook op productgebied wilde hij snel weten wat voor vlees hij precies in de kuip heeft. ’Omdat ik weinig printerkennis had, ben ik begonnen met het volgen van salescursussen. Mijn eerste twee weken hier ben ik intensief bezig geweest met onze apparaten. We kennen ze allemaal van de gang, maar wat nou de voors en tegens zijn? Het is goed om ze eens naast de systemen van onze concurrenten te zetten. Ook voor onze ontwikkelaars is dat heel waardevol. Door zelf onze producten te gebruiken, krijgen ze directe terugkoppeling. De kinderen van de schoenmaker lopen ook op schoenen van zijn makelij.‘

Waarom

Anton Schaaf is groot geworden bij Siemens. Van 1987 tot 2005 werkte hij voor de telecommunicatiegigant. Eerst in Nederland, waar hij verschillende hoge salesfuncties bekleedde en de liberalisering van de Europese telecommarkt meemaakte, en vanaf 1997 in Duitsland, waar hij het schopte tot vicepresident, chief technology officer en bestuurslid van Siemens Communications in München. Toen de markt inzakte na het knappen van de internetbel, kreeg hij de leiding over de grootschalige herstructurering, waarbij de organisatie in tweeënhalf jaar terugging van 55 duizend mensen en 12,4 miljard euro omzet, naar 33 duizend man en 7,4 miljard.

 advertorial 

Big Bits&Chips Real-Life Reunion

After a successful first edition of the Bits&Chips Event last year, we’re organizing a second edition on 9 June 2022, again at the Evoluon in Eindhoven. We’re looking forward to a live event again after months of not being able to attend them. Get your tickets now!

Na een jaartje als CTO bij Deutsche Telekom maakte hij in 2006 de overstap naar Océ, waar hij verantwoordelijk werd voor de wereldwijde R&D, de productie en de logistiek. Als CTOO kijkt hij nu onder meer naar de gebruikte processen. ’Ik ben geen printerdeskundige, dus heb ik me eerst toegelegd op datgene waar ik direct meerwaarde heb: ik weet wel iets over ontwikkelprocessen en ik heb een aardig idee over hoe een grote organisatie moet omgaan met technologie. Ik ben bijvoorbeeld gaan kijken naar hoe de R&D in Venlo functioneert en hoe die samenwerkt met onze ontwikkelaars in Parijs, Roemenië of Vancouver. Ook wil ik weten hoe onze manufacturing loopt en onze outsourcing. En als ik overal op de wereld produceer, hoe krijg ik mijn producten dan op tijd bij de klant? Logistiek wordt steeds belangrijker.‘

Anton_Schaaf

Zijn belangrijkste conclusie tot nu toe: het kan gestructureerder. ’We zijn druk bezig met de kwaliteit van onze apparaten, maar dat betekent niet dat er niets valt te verbeteren. Weten we eigenlijk wel precies hoe we het doen? Is onze werkwijze wel optimaal? Dat moeten we ons niet alleen afvragen voor de productie en de logistiek, maar ook voor de ontwikkeling. We moeten meer kijken naar key performance indicators. Neem innovatie. De definitie daarvan is: een idee omgezet in een succesvol product. Een idee op zich is dus geen innovatie, het is pas innovatie als de markt zegt: ’Dat is een verdomd goed product. Daarvan willen we er veel van jullie kopen.‘ Je kunt dus wel heel veel creatieve energie hebben, maar het gaat erom die om te zetten in concrete resultaten.‘

En in het verleden behaalde resultaten bieden geen garantie voor de toekomst. ’Af en toe moet je een vernieuwingsslag doen. De wereld staat niet stil. Zo is de hoeveelheid tooling voor softwareontwikkeling enorm toegenomen. Wat gaan we daar effectief van gebruiken? Daarnaast doen we bijvoorbeeld ook aan chemie, elektrotechniek, fysica, werktuigbouw. De complexiteit is zo hoog dat we voortdurend moeten kijken of de methodologie die we toepassen nog steeds optimaal is of dat er niet tools zijn of organisatievormen of projectvormen om dat beter te begeleiden. De Amerikanen doen het, de Japanners doen het, wij moeten het ook doen. Continuous improvement, kaizen, hoe je het ook noemt. Het gaat er niet zozeer om hoe je het doet, als je je maar voortdurend afvraagt of het beter kan, of je structuur nog steeds de juiste is.‘

Daarbij helpt het soms als er iemand van buiten komt. ’Toen ik aan het werk ging bij Siemens in Duitsland, zei de CEO tegen mij: ’Anton, je hebt één voordeel: je komt niet uit München. Jij kunt bij alles vragen naar het waarom.‘ Dat past wel bij mijn persoonlijkheid. Mijn moeder vond ook altijd dat ik heel vaak ’Waarom?‘ vroeg. Maar dat is precies de state of mind die je moet hebben: we doen het wel zo en het ging wel lekker, maar waarom precies en kan het niet beter? Voor mij is Océ een nieuw pak en van een nieuw pak wil je toch weten hoe het zit.‘

Techneut

Ondanks alle bestuurlijke activiteiten is Anton Schaaf een technicus in hart en nieren. Als tiener had hij als hobby al chemie en elektro. ’Ik soldeerde en deed scheikundeproefjes. Het was behoorlijk gevaarlijk bij mij op de kamer.‘ De algemene propedeuse van de Universiteit Twente was dan ook op het lijf geschreven van de geboren Kampenaar. ’Ik heb me aangemeld voor Chemie en toen die studie niet beviel, ben ik na een half jaar gewoon overgestapt naar Elektrotechniek. Daar ben ik terechtgekomen bij hoogfrequent. Elektromagnetische velden, ik vond het prachtig. In het hoekje van de fysica hoor ik toch wel thuis.‘

Tijdens zijn studie liep Schaaf stage bij Holland Signaal in Hengelo. ’Voor mijn afstuderen heb ik een beschermconstructie ontwikkeld voor radarinstallaties. In die tijd gingen radars net over van buizenontvangers naar solid state. Vanwege de hoge vermogens vlogen de circuits er echter telkens uit. Daar heb ik toen een schakeling voor gemaakt. Dat is goed gelukt. Zo goed zelfs dat ze die gelijk in productie hebben genomen.‘ Na zijn diensttijd, die hij doorbracht als ontwikkelaar in het laboratorium van het leger, was zijn bedje bij Signaal dan ook gespreid.

In Hengelo groeide hij van ontwikkelaar door naar manager, eerst vooral van projecten in Nederland, later steeds vaker van projecten in de Verenigde Staten. ’De Amerikaanse partners moest ik zelf uitzoeken. Inkoop deed dan de financieel-technische evaluatie, ik de puur technische. Hebben ze de competentie, hebben ze de ontwikkelprocessen? Vaak gingen er ook mensen mee om te kijken of ze goed konden produceren. Samen met inkoop moest ik ook onderhandelen over het contract: wat mag het allemaal kosten, wat zijn de ontwikkeltijden? Zo ondervond ik aan den lijve dat een leverancier-klantrelatie toch heel anders is dan de band tussen ontwikkelaar en klant.‘

Toevallig kwam toen Siemens op zijn pad. De commerciële bezigheden die er bij Holland Signaal langzaam waren ingeslopen, zouden daar zijn kernactiviteit worden. Dat leek hem wel wat, eens iets heel anders. Hoewel, zo heel anders was het nou ook weer niet, blikt Schaaf terug. ’Sommige mensen keken er raar van op. Voor hen leek het alsof ik de techniek achter me liet en in de verkoop ging. Zo voelt het achteraf niet. Het is in de loop der tijd misschien iets veranderd, maar in de telecommunicatie toen verkocht je als ingenieur aan ingenieurs. Het ging gewoon over technologie. Je moest niet alleen de systemen op zich kennen, maar ook hoe ze werden ingezet. Nou moet ik wel zeggen dat ik me bij Siemens Nederland altijd een van de meest technische mensen heb gevonden.‘ Ook bij de grote jongens in München was hij de techneut. ’In de board ben ik altijd verantwoordelijk geweest voor techniek en R&D.‘

Bij Océ weet Schaaf zich nu omringd door technici. Dat was voor hem een van de belangrijkste redenen om aan de slag te gaan in Venlo. ’Ik heb hier de perfecte functie: in een omgeving die erg hightech is, ben ik verantwoordelijk voor operations en technologie. Door de korte lijnen kan ik bovendien erg effectief zijn. Zonder veel politiek, resultaatgericht. Gewoon met elkaar de dingen voor elkaar brengen.‘

Een tiende millimeter

De aanpak die Océ daarbij voorstaat, is er een van zero tolerance. Schaaf: ’Dat is geen methode zoals Six Sigma, maar weer een state of mind. Het is de instelling dat je je werk gewoon goed wilt doen en probeert het ook in één keer goed te doen. En als je dan fouten tegenkomt, moet je eerst begrijpen waar die vandaan komen in plaats van gelijk patches te schrijven of work-arounds te maken. In Beieren zeggen ze dat je de tijd moet nemen om op de fiets te springen. Het duurt wat langer voor je op weg bent, je steekt er in het begin wat meer in, maar uiteindelijk ben je sneller en komt er meer uit.‘

Zero tolerance begint bij het besef dat het draait om de klant. ’Bij Océ heeft bijna iedereen dat al in zijn kop. Die R&D‘ers hier denken allemaal aan de klant en praten ook veel met klanten. De koppeling met de markt is erg hoog. Misschien iets te hoog, denk ik soms wel eens. Dan staat de spec vast, maar gaan ze toch twijfelen of het nog wat anders zou kunnen. Ik zou dan zeggen: hop, gaan met die banaan.‘

Schaaf benadrukt dat het ontwerp moet focussen op productiviteit, niet zozeer op snelheid. ’Wat heb je aan een apparaat van twaalfhonderd printjes per minuut dat je stil moet zetten als de inbak leeg is of de uitbak vol? Onze printers werken gewoon door terwijl je de bakken aanvult of leeghaalt. De klant kan wel kijken naar de pk‘s van de motor, maar uiteindelijk gaat het over de productiviteit die hij met die motor kan bereiken. Daarom kijken we bijvoorbeeld ook naar het storingsgehalte – een machine moet niet te vaak stilstaan, naar de kalibratietijd – een kalibrerend systeem staat niet te printen – of naar de reparatietijd.‘

De aanpak, een paar jaar geleden ingevoerd, begint zijn vruchten af te werpen. Een daarvan is de softwarearchitectuur die de Venlonaren al een tijdje gebruiken en die ook al in een aantal apparaten draait. ’Ik vond het prachtig om dat hier aan te treffen. Ik ben een fan van architecturen en platforms, omdat je dan niet elke keer opnieuw hoeft te beginnen. Als je dan werkende modules hebt, die je tot op het bot en in het veld hebt getest, neemt het hergebruik enorm toe. Inmiddels zijn we al bezig aan de volgende generatie van de architectuur.‘

Een ander aspect van Océs zero tolerance-benadering is de modelgedreven ontwerpaanpak die langzaam doordringt in de hele organisatie. ’Een van de vragen die ik had toen ik hier kwam, was hoe ver je zo‘n machine nou kunt modelleren. De omgeving is zeer complex met alle disciplines die erin samenkomen. Maar projecten als Boderc, dat we samen met Esi hebben gedaan, brengen ons zoveel verder. Die geven ons een veel sterkere modellering. Dat is gigantisch belangrijk. Dan wordt het veel minder trial and error.‘

Een van de meest recente technieken om een groter inzicht te krijgen in het waarom van een fout is de field performance feedback loop. ’Onze nieuwe printers zijn uitgerust met een gigantisch geheugen, waarin we werkelijk alles registreren. Monteurs hoeven niet langer foutcodes af te lezen, maar kunnen het hele printpatroon van de afgelopen dagen gewoon downloaden. Het bestand gaat echter ook naar R&D. Daar analyseren we de fout, onder meer door te kijken naar het gedrag ervoor en erna. Indien nodig passen we de software aan en updaten we de machine.‘

Alles komt samen in de nieuwe industriële Varioprint 6250, die 250 pagina‘s per minuut uitspuugt en tegelijk twee zijdes kan bedrukken op een tiende millimeter nauwkeurig. ’De 6250 die we een half jaar geleden hebben gelanceerd, is een van de eerste complete machines die we zo hebben gebouwd. Bij het ontwerp hebben we de modelleringsmethode toegepast die we hebben ontwikkeld binnen Boderc. Verder maakt het apparaat onder meer gebruik van onze nieuwe softwarearchitectuur.‘

Turboboost van Moore

Het hardwarebedrijf Océ heeft geleerd een softwarebedrijf te zijn, concludeert Schaaf. ’Ook in onze industrie wordt software steeds belangijker. Ik denk dat we die discipline nu onder de knie hebben. Dat we daar inmiddels zeer volwassen in zijn.‘ De Venlose software is steeds vaker een bruggenbouwer. ’Dat we nooit een eigen printerprotocol hebben ontwikkeld en altijd die van anderen gebruiken, is vooral een voordeel. We hebben IPDS (van IBM, NR) niet ontwikkeld, we hebben PCL (van Hewlett-Packard, NR) niet ontwikkeld, maar kunnen in al die omgevingen werken.‘

Met Arno Peels van Thales (zie Bits&Chips 12, 2007) ziet de technologiebaas van Océ de overschakeling van doe-het-zelven naar inkopen als grootste verandering voor de toekomst. ’De technologieën die we nu gebruiken, zijn voor het grootste gedeelte home-brewn. Maar in de complexe omgeving waarin we werken en met het hoge tempo van de technologieontwikkelingen kun je dat niet meer allemaal zelf. Heel veel industrieën zijn snel naar voren gekomen omdat ze met de chipindustrie meeliften op de wet van Moore. Daarmee krijgen ze automatisch een performanceverbetering die ze zelf niet meer hoeven te ontwikkelen. Die stap moeten wij als Océ ook maken. Om sneller en effectiever te worden, moeten we leentjebuur spelen bij partners en naastliggende industrieën.‘

’Als we de technologieën uit de chipindustrie kunnen gebruiken, krijgen we die enorme turboboost van Moore. Die moeten we erin zien te krijgen. Van de hardware tot de softwaretooling. Lenen van de buren zal niet altijd kunnen: papiertransport en tonerontwikkeling zijn ’des printers‘, maar ook daar kunnen we bekijken wat iemand anders voor ons kan doen of wat we samen met iemand anders kunnen doen. De uitdaging is om ondanks onze historie van een dikke honderd jaar home-brewn een verhoogde aandacht te hebben voor hergebruik van technologieën uit andere industrieën en voor samenwerking met technologische partners. Dan word je effectief en maak je snelheid.‘

Op 18 oktober aanstaande verzorgt Anton Schaaf de middagkeynote tijdens Bits&Chips 2007 Embedded Systemen. Hij gaat dieper in op de zero tolerance aanpak.