Paul van Gerven
6 March 2008

Als minister van OCW lijkt Ronald Plasterk opgewarmd te zijn ten aanzien van de Europese Kaderprogramma‘s. In een interview met Netherlands House for Education and Research (Neth-ER) zei hij over het Zevende Kaderprogramma (FP7): ’De Europese Commissie heeft uiteindelijk een serieuze vorm gevonden van wetenschapsbeoordeling. Deze beoordeling vindt haar basis in een meritocratisch systeem, waarbij het er om gaat Europees geld aan het beste onderzoek te besteden. Bij de beoordeling van aanvragen gaat het tegenwoordig vrijwel uitsluitend om de werkelijke kwaliteit van een voorstel.‘

In zijn vorige leven was de columnist Plasterk aanzienlijk kritischer over de voorgangers van FP7. ’De ontwikkeling van deze onderzoeksprogramma‘s kun je vergelijken met de Echternach-processie; drie stappen voorwaarts en dan weer twee naar achteren.‘ Toch heeft de ontwikkeling kennelijk zijn vruchten afgeworpen. ’Vroeger hadden we als wetenschappers veel kritiek op de Europese programma‘s. Als ik nu naar mijn oud-collega‘s luister, dan gaan de discussies waarover deze horen te gaan: over de inhoud en niet over de regeltjes en procedures.‘

Plasterk liet verder weten dat hij ervan overtuigd is ’dat Nederland het erg goed gaat doen in FP7‘.