Anton Duisterwinkel is senior businessdeveloper HTSM/Smart Industry bij Innovationquarter.

20 februari

In januari kregen opnieuw twee Smart Industry-fieldlabs hun plakkaat uitgereikt: Robohouse en Sam|XL, beide in Delft. Deze fieldlabs stimuleren kennisontwikkeling, innovatie en educatie in respectievelijk cognitieve robotica en productieautomatisering van grote flexibele structuren. Beide kennen een ruime belangstelling vanuit het bedrijfsleven, elk van meer dan tien bedrijven, zonder dat ze worden geleid door of eigendom zijn van één partij. Dat borgt de onafhankelijkheid en de blik op de lange termijn.

Met de meerdere businessmodellen die ze hanteren, hebben beide fieldlabs een breed aanbod in de aanbieding: ontwikkelprojecten, workshops, trainingen, enzovoorts. Het hbo en mbo doen mee en ook personeel van bedrijven kan er terecht voor training. Geen academische feestjes dus, ondanks betrokkenheid van de TU Delft.

Het zijn twee modelvoorbeelden van fieldlabs, als je het mij vraagt. Ze werken bovendien samen met nog zes andere Zuid-Hollandse fieldlabs in het Smitz-programma om zichtbaarder te worden als steunpunt voor ondernemers.

Niet alle Smart Industry-fieldlabs voldoen aan deze randvoorwaarden, en andere initiatieven die zich ‘fieldlab’ noemen al helemaal niet. Daar valt niets aan te doen, want de term is niet beschermd. Het programmabureau Smart Industry, dat de vorming van de fieldlabs heeft gestimuleerd, valt weinig te verwijten. Integendeel: het is bewonderenswaardig wat een team van die beperkte omvang heeft bereikt en nog bereikt. Was het team een betere financiering en meer voorbereidingstijd gegund, dan had het allicht anders gelopen. Dat heeft niet zo mogen zijn en dat is jammer, want als bedrijf is het nu lastig peilen wat de status en inhoud van een willekeurig fieldlab is.

Helaas dreigt de geschiedenis zich te herhalen. De Smart Industry Implementatieagenda spreekt de ambitie uit om van elk fieldlab een skillslab te maken. Verstandig, want hbo- en mbo-studenten en grote groepen werknemers moeten leren omgaan met nieuwe technologie en dat kan bijna nergens. Maar wat een skillslab is, vermeldt de implementatieagenda niet. De twee genoemde voorbeelden verschillen aanzienlijk van opzet. De Duurzaamheidsfabriek in Dordrecht is een volledig fieldlab met alles erop en eraan, waarin één opstelling staat om in één dag tijd te leren werken met één type lasrobot. Het Fieldlab Industrial Robotics in Harderwijk is een instituut dat opleidt tot robotcoördinator (mbo), engineer (hbo) of robotspecialist.

Inmiddels regent het ‘skillslabs’. Bijvoorbeeld het Skillslab Maritiem van het Shipping and Transport College (STC) in Rotterdam. Dat is vooral gericht op de eigen mbo-studenten. Het is geweldig mooi dat die in een praktijkomgeving dingen kunnen leren waar ze in de schoolbanken van in slaap vallen. Het skillslab staat ook open voor startups en onderzoekers om ‘aan de slag te gaan’. Als voorbeeld noemt STC een starter die meerdere tests gaat uitvoeren. Dat klinkt dan eerlijk gezegd meer als fieldlab dan als skillslab. Zonder af te doen aan het nut en de kwaliteit van dit initiatief: helderder wordt het er allemaal niet van.

Het is hard nodig om te definiëren wat een smart skillslab wel en niet is. En om eisen te stellen aan de kwaliteit van de opleiding en de geschiktheid voor werknemers. Dan gaat het niet alleen om inhoudelijke geschiktheid, maar ook om het gegeven dat opleidingen modulair, flexibel, praktijkgericht en betaalbaar moeten zijn.

Dat is nog niet genoeg, want als bijleren een vrijblijvende zaak blijft, is dat een vrijbrief om niet bij te leren. Net als voor accountants, artsen en arbeidshygiënisten is een certificeringsschema allicht een uitkomst om af te dwingen dat werknemers blijven leren – en dat werkgevers daarvoor tijd en geld vrijmaken. Zonder stevige eisen aan kwaliteit, geschiktheid en bereikbaarheid en zonder een systeem om het gebruik ervan af te dwingen, dreigen skillslabs een slappe hap te worden.