René Raaijmakers is uitgever van Bits&Chips.

20 dec 2018

Binnen het innovatieprogramma Fabriek van de Toekomst vallen zeven projecten en slechts één gaat over software: het fieldlab High Tech Software Cluster. Feitelijk is het geen laboratorium; de ruim twintig deelnemers ontwikkelen niets samen. Hooguit doen ze wat experimenten. Hun missie is vooral het belang van software uitdragen. Software gaat immers een cruciale rol spelen in de ontwikkeling, productie en verdienmodellen van hightech systemen. Daar zouden meer spelers in het wereldje zich sterk voor moeten maken.

Binnen onze tech-industrie maken we software van wereldklasse. Probleem is alleen dat de wereld dat nog niet weet. In andere markten zoals software voor administratie, consumenten en internet waren de Amerikanen ons te snel af. De grote vraag is: gaan onze bedrijven de kansen in de technische en industriële software wel pakken?

Onze sterktes liggen bij complexe software voor laagvolumeproducten. We hebben veel ervaring met concurrent, eventgedreven, reactieve systemen. We zijn gewend om daar complexe architecturen mee te bouwen. Wij zetten niet alles in de wachtrij; onze software reageert direct op signalen en bewegingen. In dat soort digitale kennis en architecturen zijn we sterk. Dat zorgt voor productiviteit, precisie en betrouwbaarheid in de microscopen, printers en steppers die hiervandaan komen.

De economics voor software in tientallen tot duizenden machines zijn heel anders dan voor miljoenen consumentengadgets. De industrie staat nu bol van de buzz over augmented reality, kunstmatige intelligentie, machine learning, digital twins, simulatie, modellering en big data. De innovatie op dat gebied kan niet zonder een gezonde basis, kan niet zonder de manier waarop we software engineeren. Wie dat niet beheerst, gaat ook niet optimaal profiteren van de softwaretechnologie die momenteel wordt gehypet.

In het softwarecluster springt de ondervertegenwoordiging van first-tier suppliers in het oog – met Demcon als positieve uitzondering. De grote vier Frencken, Hittech, NTS en VDL ETG laten het afweten. Rijzende ster Prodrive doet ook niet mee. Onderschatten zij de ontwrichtende invloed van digitalisering of zijn ze blind voor de kansen die software biedt om te innoveren? Zonder een goede digitaliseringsstrategie diskwalificeren zeker de groten zichzelf en zal hun toekomst bestaan uit zweten en kleine marges. Bij Frencken, Hittech, NTS en VDL ETG moet een strategie voor softwaregedreven innovatie boven aan de prioriteitenlijst staan.

Voor deze vier liggen er gouden kansen. Allereerst hebben ze het voordeel dat ze vrijwel van scratch kunnen beginnen. Van softwareshit als legacy – de softwarehistorie waarin de grote oem’s nu dreigen te verzuipen – hebben ze weinig meegekregen. Dat deden hun klanten immers zelf. VDL ETG ervoer hoe diep je in de stront kunt zakken toen het de hele ontwikkeling en productie van ASML’s waferhandler overnam.

Van de grond af alles opbouwen betekent niet: alles zelf doen. Toeleveranciers moeten even pas op de plaats maken en om zich heen kijken wat ze kunnen inkopen. Waar zitten de best practices? Wat is er beschikbaar van de plank? Welke tooling is nodig? En niet onbelangrijk: hoe kunnen ze fouten uit het verleden omzeilen? Ze kunnen leren van de grote oem’s een paar straten verder.

De grote toeleveranciers uit de Brainport hebben zich de afgelopen twintig jaar onder aanmoediging van hun oem-klanten opgewerkt tot financieel krachtige internationale spelers. Ze ontwikkelen en maken kant-en-klare machines waar hun opdrachtgevers alleen nog een logo op plakken. Hoe zou een innovatieve softwarestrategie eruit kunnen zien voor deze first tiers?

Op dit moment leveren ze vooral de hardware. Ze produceren een deel zelf en schakelen specialisten in voor het invullen van de details. Keramische onderdelen, gespecialiseerde elektronica, dat spul. Nu is er de mogelijkheid om digital twins te creëren van machines die nog moeten worden gemaakt. Met zo’n virtuele machine kan de salesafdeling al naar klanten en kan de softwareafdeling intussen de besturing productierijp maken, nog voordat er een onderdeel is gefreesd. Zo’n digitale kopie is een model en nog niet geschikt om software te ontwikkelen, maar de modellen worden beter, waardoor de technologie steeds krachtiger zal worden.

Waar NTS de softwareontwikkeling voor de Phenom-tafelmicroscoop in het verleden door Sioux liet doen, zal het nu zelf een software-innovatiestrategie moeten ontwikkelen. Dat betekent de kennis in huis halen en minimaal de regie gaan voeren over deze strategische component. Ook op het niveau van modules en submodules is die gedachte aantrekkelijk. De oem’s zullen hun softwareshit graag buiten de deur leggen. Net als bij elektronica gaan ze nagenoeg foutloze modules eisen en daarvoor zullen ze ook graag betalen.