Paul van Gerven
25 juni

Verdient Nederland zijn investeringen in Holst Centre terug? Of zijn het vooral buitenlandse bedrijven die er met de buit vandoor gaan? Managing directors John Baekelmans en Ton van Mol geven tekst en uitleg.

Wie het gebouw van Holst Centre op de High Tech Campus binnenkomt, loopt er zo tegenaan: het nieuwe experience center. In een vijftal settings worden toepassingen gedemonstreerd die mogelijk zijn gemaakt op basis van bij Holst Centre ontwikkelde technologie. Een auto met dashboard waarin elektronica en plastic intiem en elegant zijn geïntegreerd, een CO2-sensor die ongezonde lucht in een vergaderruimte detecteert en comfortabel draagbare sensoren om lichaamsfuncties te monitoren: het is maar een greep uit de flexibele elektronica en autonome sensorsystemen die Holst Centre heeft ontwikkeld.

Het experience centre demonstreert de corebusiness van Holst Centre, zo leert een gesprek met de directie. ‘Wat wij hier doen, is toptechnologie ontwikkelen en met deze kennis de Nederlandse economie versterken. In het experience center willen wij ondernemers inspireren om nieuwe markten en producten te verkennen’, legt John Baekelmans uit, managing director van het Imec-deel van Holst Centre. Hij leidt de onderzoeksinstelling samen met Ton van Mol, die het TNO-gedeelte onder zijn hoede heeft.

Maar levert Holst Centre wel voldoende op? Daar wordt in sommige kringen aan getwijfeld. De indruk bestaat dat de Nederlandse belastingbetaler het risicovolle onderzoek draagt, waarna buitenlandse partners de opgedane kennis mee terugnemen naar huis en er de vruchten van plukken. Een aantal Nederlandse of in Nederland actieve partners – waaronder Philips, Meyer Burger, Sabic en VDL – profiteert ook mee, maar een miljoenen kostende proef met de Brabantse Ontwikkelingsmaatschappij om Holst-kennis bij het mkb te slijten, leverde niet veel op.

De leiding van Holst Centre. Ton van Mol (links) heeft het TNO-gedeelte onder zijn hoede, John Baekelmans het Imec-deel.

Financiert de Nederlandse belastingbetaler de preproductontwikkeling van Aziatische bedrijven?

Baekelmans reageert als door een wesp gestoken: ‘Daar ben ik absoluut niet mee akkoord! Ik weet zeker dat Holst Centre nu niet zo ver zou zijn als we alleen met lokale partners hadden gewerkt.’

Het gaat niet over het niveau van Holst Centre, maar of het economisch iets oplevert voor Nederland.

Baekelmans: ‘Met de beste technologie krijg je de beste kansen om hier in Nederland iets te verdienen. Juist door met de beste bedrijven samen te werken en hen te koppelen aan lokale partners creëren wij nieuwe marktkansen. Bij Holst Centre is bijvoorbeeld de displayindustrie uit Azië vertegenwoordigd, maar ook hun toeleveranciers uit Europa.’

Van Mol haakt in: ‘Als de subsidie het probleem is: natuurlijk kan het ook zonder. Dan worden we een ingenieursbureau. Maar dat is onze rol niet. De hightech in deze omgeving komt voor een belangrijk deel voort uit onderzoek in het verleden, bij Philips Research met name. Dat is tegenwoordig een stuk kleiner. Wij vullen die leegte gedeeltelijk op. Daar horen overheidsinvesteringen bij.’

‘Vergelijk het eens met de rest van de wereld. In China, Japan en Frankrijk zijn er genoeg instituten die honderd procent door de overheid worden gefinancierd. Fraunhofer in Duitsland zestig tot tachtig procent, afhankelijk van het instituut. Wij zitten op veertig tot vijftig procent, en dat is primair bedoeld voor het onderzoek op de langere termijn. Op dit moment zijn wij bezig om financiële ondersteuning van de overheid te verlengen. Dan krijg je de beste balans tussen de focus en relevantie die de industrie brengt en de langere termijn.’

Maar dan nog kunnen buitenlandse bedrijven Nederlandse beconcurreren met producten die bij Holst Centre zijn voorbereid.

Nov
28

Benelux RF Conference

Nijmegen

Learn about 5G, advanced technologies, powered by RF, radar, smart antennas

Van Mol: ‘De technologie wordt hier inderdaad meestal niet op exclusieve basis ontwikkeld, maar het is generieke disruptieve technologie die alleen door samenwerking kan ontstaan. Bedrijven baseren daar uiteindelijk hun eigen applicaties op. In de praktijk valt die concurrentie dus wel mee.’

Maar jullie kunnen toch wel meer teruggeven dan wat jullie voor lokale partnerbedrijven doen?

Baekelmans: ‘Dat doen wij ook. Als wij iets moois in handen hebben en geen partij kunnen vinden om het op de markt te brengen, dan doen we het zelf: we hebben vier spinoffs opgericht.’

Van Mol: ‘Holst Centre haalt buitenlandse partijen hierheen, zoals Rolic dat een ontwikkelcentrum in Eindhoven is gestart. En we kunnen op allerlei manieren iets voor het mkb betekenen, ook zonder licenties. We verwijzen klanten naar Metafas en ondersteunen bedrijven als Bambi Medical, Domicro en Nemo Healthcare. Onze deur staat altijd open voor mkb’ers die met ons willen samenwerken.’

Van Mol: ‘En we leiden mensen op. Bij Holst Centre werk je in principe niet je hele leven. Net als bij Philips Research destijds is het de bedoeling dat je na vijf tot zeven jaar ergens anders heen gaat. Onze mensen komen op heel veel verschillende plaatsen te werken met kennis op zak die ze hier hebben opgedaan. Ook dat is kennisoverdracht.’

En met het experience center proberen jullie sinds kort een breder palet ondernemers te bereiken?

Baekelmans: ‘Dat is exact de bedoeling. We denken hier te veel als ingenieurs en te weinig aan wat je er allemaal mee kunt doen. We kunnen niet alle mogelijkheden laten zien, maar het werkt inspirerend en je krijgt een hele andere discussie dan wanneer je een chip laat zien en erover vertelt. Het is de bedoeling dat de schoenmaker dit ziet en denkt: misschien kunnen we meten hoe iemand stapt en daar de perfecte schoen voor maken.’

Een schoenmaker heeft geen ontwikkelafdeling voor elektronica en zal die ook niet snel starten. Holst Centre doet geen productontwikkeling. Dus wie ontwikkelt die sensor dan?

Van Mol: ‘We geloven in het bouwen van ecosystemen. Als de schoenmaker hier ideeën opdoet, koppelen wij hem aan de juiste partners.’

Vermoedelijk kennen jullie niet veel schoenmakers. Hoe kom je in contact met dat soort ondernemers?

Baekelmans: ‘We doen mee aan open dagen, organiseren workshops en nodigen mensen van allerlei organisaties uit en loodsen die langs het experience center, maar daar moeten we nog meer doen. Mensen die ons niet nog kennen, moeten ons leren kennen.’

Van Mol: ‘Ik geef toe: de eerste acht tot tien jaar hebben we vooral aan het volwassen maken van onze technologie gewerkt. Daarna zijn we steeds meer gaan doen aan het mogelijk maken van verschillende toepassingen om daarmee de lokale impact te vergroten. We zijn bijvoorbeeld ook bezig om een netwerk van financiers op te zetten om meer spinoffs te creëren. Maar ik wil er wel op wijzen dat de weg van onderzoek naar product heel lang is, veel langer dan vaak wordt gedacht. Wat er allemaal moet zijn opgelijnd voordat die schoenmaker zijn sensor heeft … Ik wil maar zeggen dat er geduld nodig is.’