Mart Graef
19 December 2014

Gezag had niemand op het Natlab zonder het eerst te hebben verdiend, maar dan nog waren er grenzen.

De directeur is ziek. Natuurlijk is dat geen probleem, behalve dat zijn staf zal doen voorkomen of tijdens zijn afwezigheid alles uitstekend is verlopen. Het mooiste zou zijn wanneer hij bij de eerstvolgende directievergadering al op een onvolkomenheid zou kunnen wijzen. Als hij de lopende uitgaven nu eens zou controleren …

‘Heren’, spreekt de directeur bij de volgende vergadering, ‘ik zie hier dat de mechanische werkplaats enkele weken geleden een aanschaf heeft gedaan, ten bedrage van 35 gulden, betreffende één kruikje Corenwijn. Kan iemand uitleggen waarvoor die uitgave nodig was?’

Valenberg, die over de diensten gaat, neemt het woord. ‘Dat moet dan verband houden met het jubileum van Weuzeling. De receptie. Veertig jaar bij de zaak.’

De directeur denkt even na. ‘Bij dat soort gelegenheden wordt alles toch verzorgd door de bedrijfscatering?’

‘Dat is wel zo, maar die hebben geen jenever in het pakket. En de jongens van de werkplaats lusten toch wel een borrel, bij zo’n gelegenheid.’

Ach Alcohol Will Kreuwels

Dit is het moment om zijn autoriteit te laten gelden, weet de directeur. De staf ziet van alles door de vingers. Als hier niet één persoon is die de rug recht houdt, wordt het binnen de kortste keren een zootje op het lab. ‘Ik zou er nog eens op willen wijzen dat er op het bedrijfsterrein geen sterke drank is toegestaan. Die maatregel is ingevoerd na dat vervelende incident van enkele jaren geleden, en ik zie geen reden daarop terug te komen.’

Geen weerwoord, mooi zo. Het is weer duidelijk wie de baas is. Laten we het nog even inwrijven. ‘Verder ga ik ervan uit dat jullie er voortaan op zullen toezien dat er geen alcohol op de werkplek wordt gebruikt.’

Adjunct-directeur Gruizema zit nu met een lastig probleem. Kreuwels, een van de groepsleiders in zijn sector, heeft altijd wel een fles jenever in zijn kantoor staan. Pascal, een bijzonder merk. Die wordt op het einde van de dag weleens aangesproken, en daar wordt niet geheimzinnig over gedaan. Eigenlijk is daar niets mis mee, maar het mag dus niet, weet Gruizema. En het gezag moet worden geëerbiedigd, zo heeft hij tijdens zijn gereformeerde opvoeding geleerd. Maar die Kreuwels is katholiek, en kijkt daar anders tegenaan. Hoe dan ook, wat gebeuren moet, moet gebeuren. Zou hij Kreuwels bij zich ontbieden? Ach nee, dat zou averechts werken. Beter kan hij even naar hem toe gaan. Gruizema voelt zich een beetje zweterig, maar dat ligt ongetwijfeld aan het uitzonderlijk warme weer.

Wanneer Gruizema het kantoor van Kreuwels betreedt, zit deze met zijn blote voeten in een teiltje water. Zijn broekspijpen zijn opgerold. De adjunct-directeur had onbewust gehoopt dit gesprek te kunnen voeren met iemand die zijn schoenen aan heeft, en overweegt even later nog eens terug te komen. Het is echter al te laat. Zijn medewerker kijkt hem vragend aan.

‘Wil, de kwestie is deze. Niets belangrijks hoor, maar kennelijk wordt er weleens op kosten van het lab drank aangeschaft, en …’

‘Die Pascal – als je het daarover hebt – die breng ik zelf mee van thuis.’

‘Natuurlijk, natuurlijk. Daar gaat het ook niet om. Maar eigenlijk is het helemaal niet toegestaan om drank te hebben op het lab.’

‘Dat vind jij?’

‘Nou kijk, de directie vindt… ik heb er zelf eigenlijk helemaal geen probleem mee, maar het is dus wél in strijd met de huisregels.’

Wil zegt even niets. Trekt aan zijn pijp. Het water in het voetbadje klotst een beetje. ‘En verder?’, vraagt hij.

‘Tja, misschien moet er toch maar een einde komen aan die toestand hier. Ik hoop dat je daar enig begrip voor kunt hebben.’

Wil zwijgt, en kijkt zijn meerdere bijzonder duister aan. Na enige tijd knikt hij.

‘We zijn het dus eens?’, vraagt de adjunct-directeur, al een beetje opgelucht dat de klus bijna geklaard is.

‘Jazeker’, zegt Wil, ‘jij krijgt hier geen druppel meer.’